JEUGD

Jeugdherinneringen uit het Derde Rijk. Maar niet van een kind van 'foute' ouders of verzetshelden, geen jood, geen zigeuner, geen politiek vervolgde; geen onderduik, geen concentratiekampen, maar kindertehuizen, hospitalen en vredige dorpjes in Zuid-Duitsland.

Truusje werd in 1924 in Keulen geboren. Haar ouders waren Nederlanders en zij bleef - hoewel dat tijdens de oorlog in Duitsland moeilijk was - Nederlandse. Het huwelijk van haar ouders liep op de klippen van moeders ambities. Truusje bleef bij moeder wonen en kreeg haar 'middagen' met vader. Ook toen vader nog thuis woonde, bestond er in het gezin voor de politiek geen belangstelling. Wel heerste er een instinctieve afkeer van de nazi's.

Het Derde Rijk wordt vanuit de herinneringen als kind beschreven. Er staan minutieuze beschrijvingen in van dingen en van gebeurtenissen. Hoe grootmoeder voor Heiligabend de traditionele karper schoonmaakt. Hoe het uniform van de Bund Deutscher Madel er exact uitzag (als Nederlandse mag ze daar geen lid van worden, dus die keuze werd haar bespaard). Of hoe het reilde en zeilde in het gezin van haar hartsvriendin Lotte Braun. Vader Braun, eens dominee, had zijn geloof in Christus verrruild voor dat in Hitler; hij sterft niet in pyjama, maar in Schlaf-anzug met op de rechtermouw een met hakenkruis getooide armband.

Truusje werd met haar kippeborst als een wat ziekelijk wezentje beschouwd. Ze kwam in 1941 terecht in het ziekendorp Bethel, een gemeenschap met als ideaal het samenleven van zieken en niet-zieken. Er gingen geruchten over het wegvoeren van geestelijk gestoorden en van epileptici, maar die berichten werden niet begrepen: “ Sommige dingen die je hoort, kan je niet begrijpen, niet omdat de mededeling te ingewikkeld is, maar omdat hetgeen met woorden wordt gezegd zozeer onmogelijk lijkt, dat je de inhoud van de mededeling niet kunt bevatten.”

In Bethel ging zij later als verpleegster werken in een ziekenhuis voor Duitse soldaten die zwaar verminkt van het Oostfront terugkeerden. Tot zij, zelf ziek geworden, in een sanatorium moest worden opgenomen. Daar ontmoette ze de oudere mede-patient Niemeier. Op een lange wandeling gaf hij haar 'voorlichting'; hij vertelt haar wat de Endlosung der Judenfrage inhield. Truusje beschrijft hoe haar toen de schellen van de ogen vielen. Ineens begreep ze bepaalde uitdrukkingen zoals “ De schoorstenen roken, ze stoken joden” en waarom die ene Esther ineens Friedel heette. Die 'aha-ervaring' had ze ook nog vele jaren later. Toen die Israelische kapper in de film Shoah vertelde over het haar van joden dat naar Duitsland werd opgestuurd, begreep ze ineens de in de oorlog gehoorde uitdrukking: “ De duikboten worden met jodenhaar gedicht.”

Het einde van de oorlog maakte Truusje mee in het idyllische Zuidduitse dorpje Scheidegg im Allgau bij het Bodenmeer. Op een ochtend in april 1945 liep een heraut door de paar straten die het dorp rijk was en riep door een scheepstoeter om dat zwarte troepen in aantocht waren. De bevolking werd aangeraden wijn, cider en Schnaps door de gootsteen te spoelen en de meisjes in de klerenkast te verstoppen. De troepen waarvoor gewaarschuwd werd, waren niet SS'ers in hun zwarte pakken, maar donker gekleurde Marokkanen. De bezetting van Duitsland was begonnen.

De glazen stad heeft niet de pretentie een algemeen beeld van het Derde Rijk te schetsen. Truusje Roegholt probeert, als vrouw die de jaren des onderscheids heeft bereikt, herinneringen op te halen aan haar eerste eenentwintig levensjaren die ze in Duitsland doorbracht. Uit de verwondering waarmee zij het verhaal op papier zet, blijkt dat ze het gebeurde zelf niet begrijpt, niet kan begrijpen. In een ruk heb ik dit goed geschreven en fraai uitgevoerde boekje uitgelezen.

De glazen stad

door Truusje Roegholt

90 blz., De Beuk 1990, f 25

ISBN 90 6975 158 5