Hulp voor Oost-Europa mag niet uit pot ontwikkelingssamenwerking komen; Oostblok zit met schade van 600 mld dollar

In discussies over internationale hulp wordt gewoonlijk vooral gedacht aan ontwikkelingshulp, de financiele overdrachten door ontwikkelde landen aan onderontwikkelde landen. Deze overdrachten zijn al van voor 1960 en maken deel uit van de taak van instituties die opgericht zijn om de welstand van ontwikkelingslanden.

Deze hulp is echter niet de enige categorie van internationale hulp. De laatste jaren zijn er andere vormen bijgekomen en het is nuttig om het geheel van zulke overdrachten te overzien en hun een plaats te geven in de internationale structuren die dit geheel het best kunnen verzorgen. In de periode van de Koude Oorlog tussen Oost en West is een categorie naar voren gekomen die al veel eerder bestond en die verdedigingshulp zou kunnen worden genoemd. Bijvoorbeeld de hulp die aan (al dan niet formele) bondgenoten werd gegeven, zoals die door de VS in de beide wereldoorlogen.

In de tweede plaats ontstond in de periode van de Koude Oorlog een vorm van hulp aan potentiele tegenstanders, met als een van de doelstellingen het voorkomen van een conflict. Bijvoorbeeld de graanleveranties van de Verenigde Staten aan de Sovjet-Unie.

Een derde soort hulp is van veel recentere datum: de milieuhulp. De verslechtering van het milieu is een wereldwijd verschijnsel en heeft in snel tempo ontwikkelde landen verontrust. Het besef dat het voorkomen van die verslechtering onderdeel van goed regeringsbeleid moet zijn is snel gegroeid, maar is in de onderontwikkelde landen veel minder sterk. Daar is de bezorgdheid om het naakte bestaan nog overheersend. De verontreiniging van het leefmilieu voltrekt zich ten dele in de onderontwikkelde landen en de welvarende landen dienen hun eigen belang door dit tekort aan aandacht in de arme landen aan te vullen met milieuhulp. Voorbeelden zijn de bedragen van 100 miljoen dollar en 125 miljoen dollar aan het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) door Noorwegen en Nederland toegezegd op de laatste jaarvergadering van deze instelling.

Het nieuwste type internationale bijstand is van nog jongere datum en verdient ook een duidelijke definitie. Het is de hulp die nu gevraagd wordt door Oost-Europa, in het bijzonder door de Sovjet-Unie. De definitie zou kunnen zijn: hulp om de gevolgen te boven te komen van het opleggen van een minder produktief economisch stelsel. De Communistische Partij heeft aan de Sovjet-Unie in 1917 en de Sovjet-Unie aan de rest van Oost-Europa sinds 1945 een socio-economische orde opgelegd, waarvan is gebleken dat die minder produktief is dan de gemengde stelsels van de Westerse landen. Die landen verkeren daardoor in grote moeilijkheden en vragen dringend om hulp. De moeilijkheden doen zich in een speciale vorm voor in Duitsland waar, door de opheffing van de deling in DDR en Bondsrepubliek, het hele proces zich binnen de grenzen van een land afspeelt.

Coordinatie

Wat betekent dit bestaan van vier soorten hulp voor de in te richten structuren ter verzorging van de genoemde belangen? Op zijn minst is een antwoord nodig op de volgende vragen:

(1) Welke instantie(s) moet(en) het verschaffen van de vier soorten hulp tot taak hebben en hoe moet deze verschaffing worden gecoordioneerd? (2) Welke bedragen moeten daartoe beschikbaar worden gesteld? (3) Welke deskundigen moet daarbij om advies worden gevraagd?

Een eerste antwoord op vraag 1 is dat er voor elke soort hulp een afzonderlijke instantie verantwoordelijk moet zijn met een eigen budget. De vierde soort bijstand moet vooral niet worden betaald uit het budget voor de ontwikkelingshulp of uit dat voor defensie- of milieupolitiek. Coordinatie is gewenst zowel binnen het budget van elk donorland als binnen dat van elk ontvangend land. Bovendien is een wereldwijde coordinatie gewenst: het gaat hier grotendeels om besluitvorming van mondiale betekenis, omdat de belangen van de hele wereld in het geding zijn.

Een vraag van veel belang is uiteraard die van de omvang van de noodzakelijke bedragen. Deze vraag komt altijd op, bij elke overdracht, als gevolg van het menselijk egoisme, veelal gepaard gaande met kortzichtigheid. Het geval van de ontwikkelingshulp wordt voortdurend door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) geanalyseerd in de jaarlijkse rapporten van het Development Assistance Committee (DAC) van deze organisatie. De prestaties van de ledenlanden van de OESO op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking met onderontwikkelde landen, worden er op grond van een reeks criteria beoordeeld. Een van de criteria is welk percentage van het bruto-nationaal-produkt der donorlanden jaarlijks ter beschikking wordt gesteld.

Het is ook bekend dat ettelijke internationale commissies van deskundigen hebben geadviseerd dat percentage 0, 7 te laten zijn. Even bekend is dat gemiddeld over alle OESO-leden het Westen maar de helft van dit bedrag beschikbaar stelt en dat de Scandinavische landen en Nederland de enige landen zijn die 0, 7 procent of iets meer bijdragen. Naar mijn berekening is echter ongeveer twee procent nodig om voldoende perspectief te bieden.

Over de bedragen die nodig zijn voor de andere soorten hulp is veel minder gediscussieerd. Over de bedragen voor het gezond houden van het milieu, is er voor afzonderlijke landen enig cijfermateriaal beschikbaar. Om het milieu weer voldoende schoon te maken en te houden zijn enige procenten van het nationaal inkomen nodig. Wat er internationaal zou moeten gebeuren is in onderzoek.

De nieuwe soort hulp waarover dit artikel gaat, zou qua omvang moeten uitgaan van de 'schade die aan Oost-Europa is berokkend door het opleggen van een minder produktief stelsel.' Daarover zijn onderzoekingen verricht, met name door de Amerikaanse econoom Abram Bergson van de Harvard-Universiteit, die van dit soort studies zijn levenswerk heeft gemaakt.

Totale schade

Een van de belangrijkste cijfers die zijn werk heeft opgeleverd is dat in 1975 de produktiviteit van de Sovjet-burgers tussen een derde en een kwart lager lag dan die in de Westerse 'gemengde' volkshuishoudingen. Onder gemengde volkshuishoudingen verstaat hij landen die een mengsel van vrije markten en gemeenschapsingrijpen hebben; dit laatste om de inkomensverdeling minder ongelijk te maken. Het zijn de stelsels die in Duitsland 'sociale markteconomie' worden genoemd. De graad van ingrijpen verschilt en is in de Scandinavische landen waarschijnlijk hoger dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Italie, maar gemengde stelsels hebben alle Westerse landen alsmede Japan.

Met behulp van de genoemde cijfers zou een schatting kunnen worden gemaakt van de omvang van de schade die aan de Oosteuropese landen is berokkend door het opleggen van het minder produktieve stelsel. Het aan Oost-Europa over te maken bedrag zou van de orde van grootte van die schade moeten zijn. Dat bedrag zou moeten worden gefinancierd door de Westerse landen, rekening houdend met hun draagkracht. De rechtsgrond zou nauwelijks een zekere 'schuld' van de Westerse landen kunnen zijn. Het is echter in het eigen belang van de Westerse landen dat in Oost-Europa geen terugkeer van de conservatieve krachten optreedt, die dreigt bij een falen van Gorbatsjov. Het is dus een zaak van 'verlicht eigenbelang'.

De wijze waarop hier een samenwerking met Oost-Europa en de Sovjet-Unie kan worden georganiseerd zal door de vindingrijkheid van vooraanstaande politici worden bepaald. Het is nuttig enkele becijferingen te vermelden die uit Bergsons onderzoek kunnen worden afgeleid. Daar de berekeningen van Bergson op 1975 betrekking hebben en dit jaar in de periode ligt dat Oost-Europa het opgelegde stelsel beleefde (1945-1985), worden hier de belangrijkste cijfers gegeven voor 1975.

Uitgedrukt in de koopkracht van de dollar in 1975 in de Verenigde Staten bedroeg het gezamenlijke inkomen van (niet-communistisch) Europa plus dat van Noord-Amerika (VS en Canada) ongeveer 3340 miljard dollar, dat van Oost-Europa 375 miljard dollar en van de Sovjet-Unie ongeveer 877 miljard dollar. De 'schade' veroorzaakt door het opgelegde systeem, door Bergson - zoals vermeld - geschat op een kwart a eenderde van het Westerse inkomen per hoofd van de bevolking, zou dan 1600 dollar hebben bedragen met de koopkracht van 1975. Ook in 1990 discussieert Bergson over deze getallen nog met Rosenfielde, die overigens van mening is dat tussen 1960 en 1975 de Oosteuropese en Sovjet-produktiviteit in vergelijking met het Westen is verbeterd. De cijfers zijn dus op te vatten als een schatting van de orde van grootte, niet meer.

Er van uitgaande dat de Sovjet-Unie zeventig jaar en de overige Oosteuropese landen veertig jaar deze schade hebben geleden, dan is het totaal aan schade meer dan 8 biljoen dollar (in de Europese betekenis van 10, niet de Amerikaanse van miljard) geweest en die van de Sovjet-Unie bijna 30 biljoen dollar, respectievelijk bijna driemaal en achtmaal het jaarinkomen van het Westen. Als de door Bergson berekende schade per jaar is blijven bestaan, is dat per jaar voor Oost-Europa ruim 200 miljard dollar en voor de Sovjet-Unie ruim 400 miljard dollar, wat samen ongeveer 18 procent van het jaarinkomen van het Westen uitmaakt. Dit illustreert dat het hier gaat om zeer belangrijke bedragen.

    • J. Tinbergen