EEN BANGE DOMINEE UIT ATLANTA

De Geschiedenis van een Droom: Amerika onder Martin Luther King en de Kennedy's

door Taylor Branch

923 blz., geill., Balans 1990, vert. J. Driessen en F. J. Bruning (Parting the Waters, 1988), f 69, 50

ISBN 90 5018 085 X

We Shall Overcome: Martin Luther King, Jr., and the Black Freedom Struggle

redactie Peter J. Albert en Ronald Hoffman

294 blz., Pantheon Books 1990, f 50, 70

ISBN 0 394 58399 X

'Het leven van Martin Luther King Jr. is de beste en de belangrijkste metafoor voor de Amerikaanse geschiedenis op het keerpunt van de na-oorlogse jaren, “ schrijft de Amerikaanse historicus Taylor Branch in het voorwoord van zijn in 1988 verschenen boek Parting the Waters: America in the King Years 1954-1963. In Nederland is dit boek nu uitgekomen onder de titel De Geschiedenis van een Droom: Amerika onder Martin Luther King en de Kennedy's.

Het is het eerste deel van een tweedelig geschiedverhaal over de emancipatiestrijd van de zwarte bevolking in de Verenigde Staten. Dit deel gaat over de roerige worsteling in de zuidelijke staten voor gelijke burgerrechten. Traditiegetrouw begint Branch zijn verhaal in 1955 met de schoolboycot in Montgomery. Het boek reikt tot en met de begrafenis van John F. Kennedy in 1963. Deze had enkele maanden daarvoor in een haastig geimproviseerde televisietoespraak de meest verstrekkende burgerrechten-wetgeving sinds Lincoln aangekondigd. Zelfs voor zijn naaste adviseurs kwam Kennedy's koerswijziging onverwacht. Deze was, zo suggereert Branch, niet zozeer het resultaat van een plotselinge morele inkeer van Kennedy als wel het logische gevolg van de door King jarenlang gevoerde strijd.

In Parting the Waters gaat alle eer naar King. Met zijn tactiek van geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid, die in het zuiden de meest huiveringwekkende represailles opriep, bracht King de federale overheid van 's werelds leidende democratie niet alleen nationaal, maar vooral ook internationaal diep in verlegenheid. Kennedy, die juist tijdens de hoogtijdagen van de Koude Oorlog de 'hearts and minds' van de Derde Wereld probeerde te winnen, moest om zijn geloofwaardigheid niet te verliezen volgens Branch uiteindelijk wel toegeven aan de legitieme eisen van King. Maar het ging niet van harte. Dat King niet werd uitgenodigd voor Kennedy's begrafenis, was daarvoor tekenend. Onopvallend stond King in de menigte toen de rouwstoet voorbijtrok.

Evenals de voorgaande presidenten probeerde Kennedy aanvankelijk het hete hangijzer van de burgerrechten zoveel mogelijk uit de weg te gaan. De president balanceerde op een breekbare Democratische monstercoalitie van zuidelijke conservatieven en noordelijke progressieve 'liberals'. Beide zijden moest hij te vriend houden. Dit verklaart, volgens Branch, waarom Kennedy vier aperte voorstanders van rassenscheiding tot rechter in zuidelijke districtsgerechtshoven benoemde. In die lijn is ook begrijpelijk dat zijn broer Bobby, die hij als zijn minister van Justitie benoemd had, nog in 1963 sheriff Laurie Pritchett van Albany met het herstel van de openbare orde feliciteerde nadat deze een vreedzame 'sit-in' in een Greyhound-busstation met de wapenstok uit elkaar had laten slaan. Overigens had Bobby geen al te hoge dunk van de burgerrecht-activisten. Misprijzend noemde hij hen 'suicidale pacifisten'. Dat sommigen van hen zich ooit eens tegen de atoombom hadden uitgelaten, zag hij als een bewijs voor zijn opvatting dat zij geen goede Amerikanen waren.

Ook King kon volgens Branch op weinig sympathie rekenen bij de Kennedy's. Het historische troosttelefoontje van JFK aan Coretta tijdens de verkiezingscampagne van 1960 - nadat King weer eens in de gevangenis was beland - was voornamelijk het onbezonnen werk van Kennedy's progressief-liberale zwager Sargent Shriver geweest. Deze overrompelde de jonge presidentskandidaat door hem in een onbewaakt ogenblik de telefoonhoorn in de hand te drukken. Bobby was hierover furieus want hij dacht dat JFK hierdoor nu tenminste drie zuidelijke staten verspeeld had. Pas achteraf bleek het telefoontje een ware meesterzet. Terwijl de schade in het zuiden beperkt bleef, leverde het JFK de meerderheid op van de 'black vote' in de noordelijke steden, en deze was voor JFK's nipte verkiezingswinst doorslaggevend.

Voor FBI-directeur J. Edgar Hoover is in Parting the Waters een bijzondere rol weggelegd. Branch maakt daarbij dankbaar gebruik van de onfrisse zaken die halverwege de jaren zeventig in de traumatische nasleep van de Watergate-affaire boven tafel zijn gekomen. Bobby kon als minister van Justitie weinig anders dan Hoover het groene licht geven voor het afluisteren van King en zijn politieke vrienden. Hoover hield er namelijk een omvangrijk geheim persoonlijk archief op na, waarin hij het veelal illegaal verkregen chantagemateriaal bewaarde dat hij had laten vergaren over honderden vooraanstaande Amerikanen bij wie hij 'on-Amerikaanse' ideeen vermoedde. Hoover wist ook alles van de Kennedy's: hun beider ongelukkige liaisons met Marilyn Monroe; hun banden met de Sinatra-connectie; JFK's relatie met Judith Campbell, zijn lievelingsmaitresse die hij moest delen met de hoogste maffiabaas in Los Angeles; en JFK's exotische romance met de verpletterend mooie Ellen Rometsch, die nog tijdens zijn regering door de FBI als Oostduitse spionne de VS werd uitgezet.

Deze kennis, zo demonstreert Branch, bood Hoover voldoende speelruimte om zijn eigen politieke agenda na te streven. Hoovers voornaamste doelwit was King, die hij ervan verdacht betrokken te zijn bij een communistisch complot om de Amerikaanse samenleving te destabiliseren. Met bewijzen heeft Hoover nooit kunnen komen, of het moet zijn dat deze zich bevinden in het King-archief van de FBI. Ondanks de 'Freedom of Information Act' blijft dit archief op grond van staatsveiligheid nog tot 2027 gesloten. Bekend is wel dat Hoover van Kings promiscue levenswandel volledig op de hoogte was. Kings seksuele activiteiten leverden ruimschoots materiaal op voor een onsmakelijke lastercampagne. Coretta was een van de eersten aan wie Hoover zijn informatie doorspeelde: zij mocht een geluidsband met buitenechtelijke bedgeluiden in ontvangst nemen.

Ongetwijfeld uit bewondering voor King is Branch overigens zelf zeer discreet over Kings seksuele leven. Branch is ook tamelijk vlak wanneer het gaat om de onderlinge rivaliteit en kleingeestige jaloezieen binnen Kings eigen kring. Over dat soort zaken kunnen we beter de in 1986 verschenen ophefmakende King-biografie Bearing the Cross van David Garrow raadplegen.

Verder is Branch uiteraard ook nog niet op de hoogte van het onlangs aan het licht getreden plagiaat dat King in 1955 pleegde. Kings dissertatie waarvan Branch hoog opgeeft, blijkt nu een uiterst kundige compilatie van teksten die zonder bronvermelding letterlijk zijn overgenomen uit andere werken. Gelukkig maakt het voor de Nederlandse editie van Parting the Waters niets uit. Met schijnbaar vooruitziende blik had de Nederlandse uitgever het taaie hoofdstuk over Kings intellectuele vorming al geschrapt.

Branch typeert zijn werk als 'verhalende biografische geschiedschrijving'. Hoewel hij naar zijn zeggen honderden interviews heeft afgenomen en hij zijn werk voorzien heeft van een indrukwekkend notenapparaat, brengt hij geen spectaculaire nieuwe feiten naar boven. Hij leunt, zoals hij zelf ook in zijn voorwoord enigszins toegeeft, zwaar op de King-biografie van Garrow.

In navolging van Garrow betoogt Branch dat in 1955 gedurende de busboycot in Montgomery de pas zesentwintigjarige kersverse dominee King tegen zijn zin de rol van burgerrechtenleider kreeg opgedrongen. Eigenlijk ambieerde King, die afkomstig was uit een beschermd domineesgezin in Atlanta, een comfortabel en gemakkelijk 'middle class' leven. King achtte zich aanvankelijk niet opgewassen tegen zijn nieuwe taak als leider. Hij voelde zich 'angstig, schuldig en onzeker'. Anders dan Branch, die zelfs spreekt van 'de King-jaren', probeert Garrow echter de historische rol van King te relativeren.

Garrow staat daarin niet alleen, zoals dat onlangs opnieuw werd bevestigd in We Shall Overcome: Martin Luther King, Jr., and the Black Free-dom Struggle. Het is een weinig schokkende verzamelbundel van een in 1986 in Washington gehouden symposium ter ere van King in het jaar dat zijn gedenkdag werd ingesteld. Ondanks de neiging tot hagiografie wordt in een aantal bijdragen door vooral zwarte historici onderstreept dat King slechts een van de voormannen was uit de nieuwe generatie van militante zwarte leiders. Ook zonder King - hoe bijzonder en belangrijk zijn rol ook was - zou de strijd voor gelijke burgerrechten niet wezenlijk anders zijn verlopen.

Al heeft Branch misschien de rol van King grotelijks overschat, toch heeft ook hij ruimschoots aandacht voor veel andere bekende en minder bekende zwarte burgerrecht-activisten. De grootste tekortkoming van Parting the Waters is dat Branch er niet in slaagt zijn hoofdfiguren psychologische diepgang te geven. King, Hoover en de Kennedy's ontstijgen nauwelijks het karikaturale niveau van 'the good, the bad and the ugly'. Niettemin is Parting the Waters of zo men wil De Geschiedenis van een droom zeer de moeite waard. Wie zich niet laat afschrikken door de lijvige omvang van het boek, krijgt een zeer goed beeld van een bewogen periode uit de Amerikaanse geschiedenis. En al vermoed ik dat het tweede deel even weinig verrassend zal zijn als het eerste, is het toch iets om naar uit te kijken.