De verwarring; Een tocht door de Beira-corridor

Eind 1989 maakte Adriaan van Dis een reis door Mozambique. Eerste van een reeks verslagen uit een verkwanseld land.

Arlindo is een moordenaar. Hij heeft zijn vaders keel doorgesneden en een beker van zijn bloed gedronken. Niemand weet hoe oud Arlindo is. Veertien? , negen? , vijftien? Hij komt uit Manica want hij spreekt Shona. Maar Arlindo praat niet. 's Nachts, als hij slecht droomt, ijlt hij over brandende hutten. Overdag zit hij stom in een hoek.

Arlindo is een amnestiado, zijn verleden is hem door de regering vergeven. Samen met vier streekgenootjes wordt hij opgevoed in de Frelimo-idealen. Ze hebben alle vijf geroofd en gemoord. Het Renamo heeft ze uit hun dorpen weggevoerd en gebruikt als dragers, brandstichters en moordenaars. Het zijn volleerde bandieten. Hun vel is zacht, het kroeshaar pluist nog in hun nek, maar hun littekens zijn hard en veelvuldig. Hun eerherstel bestaat uit wachten. Geen dokter kijkt naar ze om. Geen onderwijzer leert ze lezen of schrijven. Amnestie is een zaak van stempels en papieren.

Arlindo is de mascotte van een regiment Zimbabweaanse soldaten dat de Beira-corridor bewaakt, de weg van de Indische Oceaan naar de Zimbabweaanse grens. De corridor is van levensbelang voor Zimbabwe en omringende landen zonder zee. Daarom bewaken tienduizend militairen de door bandieten belegerde spoorlijn, weg en oliepijp. Een Zimbabweaanse sergeant, Tsuro, won Arlindo's vertrouwen. Shona is ook zijn moedertaal, hij kent Arlindo's verhaal.

Tijdens het water halen is Arlindo door het Renamo ontvoerd. Gekneveld moest hij de bandieten de weg naar de hut van zijn ouders wijzen. Ze gaven hem lucifers en dwongen hem het dak in brand te steken. Zijn moeder en zusje renden gillend naar buiten. Zijn zusje werd vastgebonden, hun moeder voor hun ogen doodgeschoten. Zijn vader kwam met een ploeg mannen uit het veld aangerend. De bandieten namen ze allemaal gevangen en Arlindo moest hem aanwijzen. Ze sneden zijn keel open en gaven Arlindo het mes. Hij moest het karwei afmaken. Ze hielden zijn hand vast en Arlindo sneed. “ Nu hoor je bij ons”, zeiden ze. Daarna prikten de bandieten het hoofd op een paal en wikkelden een Frelimo-vlag om de kaak. Arlindo en zijn zusje werden geblinddoekt en moesten mee de bossen in. Hij heeft haar na de eerste nacht in het Renamo-kamp niet meer teruggezien.

Arlindo leerde vechten en doden. Jaren heeft hij met de bandieten gezworven en geplunderd. Een paar maanden geleden wist hij bij een Frelimo-aanval in de verwarring te ontkomen. De volgende dag vonden Frelimo-soldaten hem uitgehongerd in de struiken.

Grote ogen kijken mij aan. Arlindo weet dat we over hem praten. Zijn gezicht is oud en mager. Ik krabbel met mijn hand in zijn nek.

Ik maak deze reis om egoistische redenen. Het was me afgeraden door de Beira-corridor te gaan, maar ik hoopte op mooie verhalen. Ik had struikrovers verwacht, opgezweept door een paar bigotte Rhodesiers en Portugezen misschien, een vette Zuidafrikaan op de achtergrond, niet een volk dat elkaar uitmoordt. Dit is oorlog.

Ik sprak een gezin dat met hun kippen in een uitgebrande tank woonde en waarvan de kinderen niet wisten wat een huis was. We reden door een dorp waar alle mannen waren weggevoerd en de vrouwen de borsten afgesneden, de bandieten hadden ze in een kist gegooid met daarop de boodschap: 'Cadeau voor de president; zeg maar dat we er zijn.' Ook daar waren de daders kinderen. Nu sta ik oog in oog met kleine moordenaars.

Para is veertien jaar en op zijn achtste door het Renamo ontvoerd. Geslagen en uitgehongerd vonden de Zimbabweaanse soldaten hem langs de weg. Hij zat jaren in een Renamo-bende die zijn basis bij een grote rivier had, vermoedelijk de Zambesi. Ik vouw de kaart uit om het hem aan te laten wijzen. Maar Para heeft nog nooit de vormen van zijn land gezien, die groene Y aan een blauwe zee. De soldaten zien rivieren in de Sahara, ze houden de kaart ondersteboven.

Para zegt dat hij acht mensen heeft gedood, een geweer durft hij niet meer vast te houden. Als de soldaten speels op hem richten loopt hij bang weg.

''Killing is dead easy in Mozambique'', zegt sergeant Tsuro. Hij rijdt me naar de grote weg en ik voeg me weer bij het gezelschap van majoor Buckley, de man met wie ik langs de Beira-corridor reis. Zonder hem was ik nooit tot het regiment in Chimoio toegelaten. Dank zij Buckley zag ik mijn eerste dode. 'Special treatment, ' noemt hij dat.

In het vliegtuig van Lilongwe naar Harare zat ik naast een ex-Selous- scout, of eigenlijk naast zijn kunstbenen. Ze knelden en hij had ze op de stoel tussen ons gelegd. Geinteresseerd in mijn lectuur - ik las een boek over de bevrijdingsbewegingen in Zuidelijk Afrika - vertelde hij iets te luid dat hij jaren in de bush vocht en eigenhandig achttien zwarten had gedood (hij zei terroristen, want er woedde toen een oorlog in Rhodesie). Zijn benen verloor hij tijdens een geheime missie in Mozambique. Zijn jeep reed op een landmijn.

Toen hij hoorde dat ik naar Mozambique wou, werd hij boos en weemoedig tegelijk. Boos omdat het er volgens hem een zootje was, weemoedig omdat hij vroeger een zomerhuis in Beira had, “ aan het mooiste strand van Afrika”. Ook kwijt. Helaas kende hij niemand meer in Beira, “ allemaal verjaagd of geemigreerd”, maar hij stond erop mij het adres te geven van een man in Harare: majoor John Buckley. Niemand kende het 'nieuwe' Beira zo goed als hij. Buckley was niet bepaald een vriend van hem, want een Brit en de Britten hadden Rhodesie aan de zwarten verkwanseld, maar hij kocht weleens garnalen bij hem, vers van zijn oude strand in Beira. De majoor zou me zeker kunnen helpen.

Sinds de onafhankelijkheid traint Buckley Zimbabweaanse soldaten voor hun taken langs de Beira-corridor. De haven van Beira ligt maar een paar honderd kilometer van de Zimbabweaanse grens. De korte weg komt de regering beter uit dan de politiek besmette Zuidafrikaanse havens. Ik moest en zou naar Beira. “ Stap zacht, “ zei de ex-Selous-scout en hij tikte op zijn kunstbenen.

De volgende dag zat ik voor een teakhouten schrijftafel in een kamer aan de Avenue's, op schootsafstand van Mugabes paleis. Een Brits vlaggetje, pen, potlood, schaar, paperclips, lijm en inktpot in slagorde opgesteld. Daarachter een dunne man met wortelrood haar, de majoor. Hij sprak snel, zijn vingers sprongen over de stafkaart, hij gebruikte afkortingen die ik niet kende en somde plaatsen op waar ik nog nooit van gehoord had.

'' Hoe is je conditie?'' vroeg hij.

'' Op een rug na, goed.''

'' Kan je bukken?''

'' Beter dan staan.''

Ik mocht mee. Mijn kaartje van het Handelsblad deed wonderen ('' Handel means business, isn't it?'' ). Europa moest een goede indruk krijgen van de Beira-corridor. Hoe meer buitenlandse investeerders er gebruik van maakten, hoe groter de buitenlandse belangen en dan kwam de vrede vanzelf.

'' Heb je een auto?''

'' Nee.''

'' Dan gaat de reis niet door. We need a set of wheels.''

'' Heeft het leger geen auto's?''

'' Honderden, honderden, maar ze rijden niet. Geen reserve-onderdelen. Dit land verliest nog eens een oorlog door een gebrek aan moeren en bouten. De weg naar Beira zit vol gaten, daar houden mijn jeeps niet van. Ik vlieg of gebruik andermans auto's. Zorg voor wielen en ik neem je mee.''

Geen verhuurbedrijf wilde een auto leveren: “ Mozambique? Die zien we nooit meer terug.” Aan het kopen van een tweedehands hoefde ik niet te denken, want een tien jaar oude auto kost hier meer dan een nieuwe in Europa.

Twee dagen later belde Buckley me wakker in mijn hotel. “ Ik heb er een, twee zakenlui uit Harare. Landcruiser, splinternieuw. Maandag six a.m., and remember, Six P.”

'' Six what?''

'' Proper planning, and preparation, prevents poor performance. Kleed je gedekt, het is daar oorlog.''

Acht uur later lag ik naast een stervende soldaat en al was het kogelgat in zijn schouder klein, hij bloedde genoeg om mijn kaki rood te kleuren. “ Matsanga, matsanga”, zei hij in zijn doodsreutel, bandieten, bandieten. Zo leer je woorden die je nooit vergeet.

Het begon al voor de deur van mijn hotel. De majoor stond met twee ontbijtkoekkleurige mannen gebogen over de kap van een nieuwe beige Landcruiser. We schudden handen boven de motor: Peter Gough - in verf, Claus Roth - import export, twintig jaar in Zimbabwe en trots op zijn Duits accent. Hij was nog wit om zijn neus omdat de majoor twee gaatjes in de rand van zijn motorkap had geboord. Er moesten hangsloten aan. “ Matsanga stelen accu's voor hun platenspelers in de bush”, zei Buckley. Hun ringen hadden ze al afgedaan. “ Matsanga are worze than crows”, zei Claus.

Ik werd meteen aan het werk gezet: de laadbak moest opnieuw gepakt. Vier dozijn broden - 'wisselgeld in Mozambique', honderd zondagskranten voor de soldaten onderweg, blikvoer, tassen. Buckley wees aan, ik sjorde, niks mocht uitsteken. Geen plooien in het dekzeil, “ oog noch hand mag er iets vermoeden”. Ik wist niet dat een soldaat zo'n tut kon zijn.

Zelf bobbelde Buckley van de geheime zakken. Hij had zijn uniform verruild voor een huisvlijt safaripak. Voor we wegreden tikte hij op alle ritsen: pistool, sigaretten, lamp, lipzalf, sigaretten, malariapillen, jodium, penicilline, sigaretten, verband, zakmes, zoutpillen. Zelfs zijn pet had drie ritsen: thermometer, diarreepillen, geld.

Claus poetste de autoruiten, hij wilde foto's kunnen nemen zonder uit te stappen. Peter stond er onverschillig bij. Je kon aan alles zien dat Afrika geen vreemde voor hem was: zandkleurige Clarks, lange sokken, rimpelknieen, martiale snor, een gekerfde huid en vooral, vermoeid. Zelfs zijn vingerknip naar de boys van het hotel klonk dof.

Buckley zou rijden, hij kende de gaten, mijn rug moest voorin. Verbouwereerd liet Claus zich naar de achterbank commanderen. Zenuwachtig trommelde hij op de bekleding. Aanvankelijk nog vol verwachting over de voordelen van de zwarte markt en zwakke munt in Mozambique en door de majoor gepaaid met verhalen over een opbloeiend Beira, was zijn enthousiasme nu geheel verdwenen. Een benzinepompjongen aan de rand van Harare had hem gezegd dat de corridor vol mijnen lag. “ Daar rijden we dan omheen”, zei Buckley. In Zimbabwe gonsde het volgens hem van dit soort verhalen, allemaal onwetendheid.

'' Wie over een mijn rijdt vertelt het niet na'', zei Claus somber.

'' Ik wel'', zie Buckley.

'' En hoe was het?''

'' Wind in je nek.''

Buckley zei dat hij de gelukkigste man ter wereld was, na dertig jaar vrijgezellenbestaan - India, gurka's: 'great fighters' - was hij hier nu een jaar getrouwd. Dachten wij heus dat hij zijn leven voor zo'n tochtje in de waagschaal zou stellen. “ No way, nao ha problema.”

En inderdaad, hij omzeilde alle problemen. De Mozambikaanse douane stempelde vlot ons paspoort na twee broden en toen een soldaat bij de hefboom alsnog Claus en Peter in een hoek trok om dollars tegen de ongunstigste koers te wisselen, ritste hij een zak open en kocht ze los met twee pakjes Berkeley: “ Just kill them with cigarettes.”

Op de weg was het kiezen tussen diepe en ondiepe gaten. De broden stommelden onder het zeil. Bij dicht struikgewas reden we sneller. “ Hier kunnen we bezoek verwachten”, zei Buckley, links en rechts in de greppel turend. We konden geen brug over of hij wees ons op de kogelgaten in het cement. Bij elk autowrak of uitgebrand huis had hij een verhaal. “ Op deze plek zijn acht weken geleden tweeentwintig burgers gedood, en daar, bij kilometerpaal achtenzeventig, is een man om vier uur 's middags vermoord. Ze vonden alleen een hoofd met een pik in de bek.”

'' Poor sucker'', zuchtte Claus.

Waar het groener en platter werd zagen we ook meer mensen. Vluchtelingen zochten een onderkomen langs de berm, de dorpen verder op de heuvels waren platgebrand. De corridor biedt voedsel en bescherming; tien kilometer links, tien kilometer rechts, zo breed is de zekerheid in hun leven.

Het regenseizoen was juist begonnen, modder stroomde om de bouwsels van stokken en riet. De bomen die de aarde moesten vasthouden waren gekapt en opgestookt. Jongens hoepelden met autobanden, mannen luierden langs de weg, vrouwen droegen sprokkelhout of bogen hun ruggen op de kleine heuvelakkers. Kleine kinderen zwaaiden en bedelden als ze onze auto zagen. Ik was te beschaamd om terug te zwaaien. Claus maakte foto's, Peter hield zijn hand voor zijn ogen.

De majoor wees tevreden naar de achter prikkeldraad opgeslagen voedselvoorraden van hulporganisaties. Hij stak zijn duim op bij een nieuwe wegwijzer, naar plaatsen waar geen auto kon komen. Geploegd land, een opgekalefaterde politiepost begroette hij met een glimlach. “ Ze doen hun best, schrijf op voor je Handelsblad.” Reden we langs een witgekalkte muur waaronder nog vaag een leus of Frelimo-vlag was te herkennen, dan wipte hij op achter zijn stuur. “ Verf is een teken van hoop”, zei Peter sarcastisch. De soldaten zaten overal verstopt, in kuilen, naast bruggen, onder camouflagegaas. Als Buckley er een zag, salueerde hij, ook al sliep de soldaat naast zijn mitrailleur.

'' Hier zit het A-team'', zei Buckley bij een onooglijke brug. We zagen niets, maar de majoor was nog niet uitgestapt of de berm bewoog. Bosjes bleken soldaten, een maisveld was een ondergronds kampement. Van alle kanten kwamen de soldaten op ons af, bladeren op hun helmen, hun gezichten met modder besmeurd.

De liniaal in Buckleys rug verdween, hij werd op slag amicaal. De jongens zwermden om de auto heen en peuterden nieuwsgierig aan het dekzeil. De zondagskranten gooiden ze in een hoek, ze juichten bij de verse broden. “ Ze zijn alleen blik gewend”, zei Buckley, terwijl hij zijn mannen op traditionele wijze groette: een hand, een duim, en dan weer een volle hand. Hij genoot van zijn rol als weldoener. “ Great guys, zonder hen kwam er geen trein of vrachtwagen in Zimbabwe.”

Ik kneep ook in duim en handen en was er trots op dat de soldaten mij als een vriend binnenhaalden. In de auto had Claus nog op Afrikaanse soldaten zitten schelden, “ ze kunnen alleen maar schoenen poetsen”, nu deelde hij sigaretten uit en vroeg geinteresseerd naar de werking van een mortier dat zojuist uit een kist werd gehaald. Ook de lijdzame Peter veranderde. Hij bleek vloeiend Shona te spreken en werd meteen te hulp geroepen bij de assemblage. Het leek wel of we allevier wilden laten zien hoe goed en gewoon we met de Afrikanen waren. Claus zei: “ I am proud of zee Zimbabwean Armee.” Geen soldaat begreep hem, maar ze knepen allemaal in zijn duim.

Een snerpend geluid kraste in onze oren. De soldaten sprongen in de houding. Twee trokken kluiten modder weg en daar kroop een reus uit een gat. Zijn zonnebril bleef aan het camouflagenet haken, zijn knieen waren bruin van het kruipen, maar verder zag hij er imposant uit: patronen snoerden kruislings over buik en schouder, in de rechterhand hield hij een roodomwonden luipaardstaart, twee messen aan zijn riem en een padvindersfluitje tussen zijn tanden. Commandant Nzou. Hij was blij om zijn oude leermeester te zien. Hij tilde Buckley op, drukte hem tegen zijn patronen, melkte zijn duimen en schaterde het uit. We waren allemaal 'great friends'.

De heuvel op, we moesten alles zien. De pijpleiding, de rails - twee kwetsbare strepen in het ruige veld - en in de verte de hoogspanningskabels van de Cahora Bassa. Van de grenskant naderden drie stofwolken; “ vrachtwagens met koper uit Zambia, “ zei Nzou.

Zijn vinger danste over het landschap, we genoten van het uitzicht. “ Daar liggen de bandieten, “ zei hij en zijn hand vormde een pistool dat naar een slinger in de weg wees. Ergens naast een nog droge rivier hielden ze hun kampement. Ik keek door zijn verrekijker maar zag alleen wat verwaarloosde akkers.

Een snor van zweet parelde onder Claus' neus. Hij vroeg Buckley een zoutpil; ze zaten onder de lipzalf, geplet door Nzou's buik. “ Na vier uur, als de grootste hitte voorbij is, komen ze uit hun schuilplaats. Dan moeten jullie binnen zijn”, zei Nzou. Hij duwde lachend de warme loop van zijn geweer in mijn nek. De patronen op zijn buik tikten van plezier.

De zon stond nog veilig hoog. Ons nachtkamp was in Chimoio, zo'n dertig kilometer verderop. Onder ons lagen soldaten in lemen kuilen en gangen. De Zimbabweanen waren goed gekleed, hun schoenen glommen ondanks de modder. Hun geweren zagen er heel wat beter uit dan de met draad en tape gerepareerde geweren van de Mozambikanen. Nzou maakte schampere opmerkingen over de Frelimo-soldaten: “ Je hebt niets aan ze, ze worden niet afgelost, ze hebben geen radio, geen verrekijker, ze weten niet eens waar de vijand zit.”

Hij stond daar wijdbeens, zelfverzekerd op zijn onneembare heuvel en schreeuwde bevelen naar het groepje soldaten dat nieuwe mortieren de heuvel opsjouwde. En toen klonk dat schot, en nog een. Nzou drukte me tegen de grond en voor we het goed en wel wisten, kropen we door een moddergang, Nzou voorop, ik achter Buckley die zich al kruipend van zijn zaklamp ontdeed, achter mij prevelde Claus “ Mein Gott, mein Gott.”

'' Matsanga, matsanga'', riepen ze beneden. Onder ons ratelden de machinegeweren. Hoe lager de gang ons voerde, des te heviger de kogelregen. Het leek wel of van beneden op ons geschoten werd. Ik zag niet goed wat er voor mij gebeurde, opeens was de modder rood. Bloed stroomde onder ons door, het spoor leidde naar de soldaten die de mortieren naar boven brachten. Een bloedde hevig uit zijn schouder, een jonge jongen huilde en kreunde maar leek niet gewond.

Een dikke soldaat lag er stil en vredig bij. Hij keek met open ogen naar de zon. Nzou kroop door, wij moesten blijven liggen. Buckley graaide in zijn zakken en depte de wonden met verband. De stille jongen rolde tegen me aan, loodzwaar en lauw. Toen Nzous fluitje klonk en het schieten beneden ophield, voelde Buckley zijn pols: de dikke was dood. Een misverstand. Een mortier was per ongeluk afgegaan en de soldaten onder aan de weg dachten dat er een aanval was. In de paniek schoot beneden naar boven en boven op beneden. Resultaat: acht gewonden en een dode.

Nzou sloeg de modder van zijn uniform en poetste zorgvuldig zijn gesp en schoenen weer op. “ Bandits make nervous”. Buckley rechtte zijn rug en zei met een strenge blik op mijn notitieboekje: “ Zulke ongelukken gebeuren in elk leger.” Claus schopte boos tegen zijn banden. Een kogel had het spatbord van zijn nieuwe auto doorboord. We reden zwijgend naar Chimoio. Daar wachtte Arlindo met zijn kameraden.

Die nacht deel ik met Buckley een tent in het Zimbabweaanse kamp. Achter ons trommelen de amnestiados, ze vieren de komst van een voedseltransport. De geiten die aan ons tentzeil knagen eten ze niet, want die zijn door de doden bezeten. Vroeger was hier een Zanu . kamp waar honderden vrijheidsstrijders door Ian Smith's Selous-scouts zijn vermoord. De amnestiados sterven liever de hongerdood dan dat ze de geest van een dode verstoren.

Buckley legt zijn spullen voor morgen klaar. Zijn koffer is angstig netjes gepakt. Zeepdoos, haarborstel, schoenlepel, zelfs zijn schoenspanners dragen het wapen van zijn regiment (lichte infanterie, een jachthoorn met kwastjes en op alles zijn initialen). Ik krab de modder van mijn schoenen, hij vult de zakken van een schoon safaripak, een beige exemplaar, voorzien van een pet met uitrolbaar nekscherm. Morgen halen we de kust, het zal nog warmer worden. Buiten gaan de mensen in rafels gekleed, wij borstelen de angst en de dood van ons af. Proper planning and preparation.

De volgende morgen staan honderden mensen in de rij voor een vrachtwagen met maispap. Ze zingen: “ We zijn present, we zijn present, ja, de amnestiados zijn hier, presentes, presentes.” Ze herhalen de deun tot alle borden zijn volgekwakt. De pap wordt snel gegeten, niemand mag iets eetbaars naar de tenten brengen, anders eisen de bandieten 's avonds hun deel.

Een paar stokoude vrouwen die hier ondanks alle ellende zijn blijven wonen, sluiten de rij. Als ze ons zien, zakken ze even door de knieen. Een rudimentaire reverence uit de tijd dat de koningin van Portugal dona Maria II al haar onderdanen gebood bij een onderlinge groet een kniebuiging te maken.

Spijt hebben de mannen allemaal, niemand zat vrijwillig bij de bandieten. Raptado, ontvoerd, of opgepakt door de Zuidafrikaanse politie en aan het Renamo uitgeleverd toen ze illegaal de grens overtrokken op zoek naar werk in wit Transvaal. Sommigen zitten hier al twee jaar en hebben voor zichzelf een hut gebouwd, met een vluchtuitgang. De nieuwkomers hangen voor hun tenten onder spandoeken met kogelgaten: Viva a Frelimo, a luta continua. Ze hebben de ene leus voor de andere verruild. Al twijfel ik soms aan hun verhalen over ontvoering - alleen al omdat het hun eigen verantwoordelijkheid verkleint en het de regering goed uitkomt het Renamo zo beestachtig mogelijk af te schilderen - aan hun leeftijd te oordelen moeten ze als kinderen gerekruteerd zijn. Geen man is ouder dan vijfentwintig jaar.

Sergeant Tsuro heeft een hekel aan amnestiados. Hij vocht te lang tegen de bandieten om zich met spijtoptanten te kunnen verzoenen. De afgehouwen hoofden telt hij niet meer. “ Ze zijn wreed, ze snijden oren en lippen af en leggen hoofden langs de weg. Het zijn rituele moordenaars. Een leger van gevangenen zou zich nooit zo inspannen.” Het merendeel moet volgens hem uit vrijwilligers bestaan, anders kan hij de niet-aflatende vechtlust moeilijk verklaren.

Alfredo, een oud-Renamostrijder, in de mooiste broek van het kamp, een echte jeans met het kaartje van de Zuidafrikaanse Pick and Pay er nog aan, zegt dat misschien een klein deel vrijwillig toetrad vanwege de verleiding en de lol om met een motor in de bush te crossen. Mooie draagbare Zuidafrikaanse radio's, drank, hasjiesj, vrouwen. “ Renamo is fun, Frelimo is sober.”

Alfredo is een vijfentwintigjarige vrijgezel. Negen jaar geleden werd hij na een Renamo-aanval van zijn legereenheid ontvoerd, samen met een andere Frelimo-soldaat, evenals hij een jongen uit de provincie Sofala. Zijn vriend werd in de eerste week al geexecuteerd omdat hij niet naar de bevelen luisterde. “ Wie niet gehoorzaamt wordt doodgeschoten. Bij het Renamo schoten we de hele dag, op mensen en dieren. Ik heb tientallen olifanten gedood”, zegt hij trots. Alfredo paste zich aan, hij kreeg een opleiding tot paratrooper, leerde sabotage plegen en hielp later mee de spoorlijn Tete-Malawi op te blazen. Het Renamo beviel hem, ze betaalden in rands en er was altijd bier in de bush, echte Lions uit Zuid-Afrika. Bij het Frelimo had hij al een jaar geen soldij gekregen. Het gebied waar hij gelegerd lag was toch al in handen van het Renamo. “ De bevolking steunde de bandieten. De boeren mochten hun eigen akkers weer bewerken, de cooperatieve landbouw was afgeschaft. Ze hadden geen keus, het was dood of samenwerken.” Alfredo kijkt me verontschuldigend aan.

'' Waarvoor vecht het Renamo?'' vraag ik.

'' Tegen het communisme, tegen het socialisme'', zegt hij ernstig. Dagelijks hoorde hij die boodschap in de radiospeeches van Renamo-leider Afonso Dhlakama, waar ze gedwongen naar luisterden.

'' Ben je tegen het socialisme?''

Alfredo ontkent het heftig. “ Nee, het socialisme is goed”, maar hij vindt wel dat de mensen op zichzelf in de bush moeten kunnen wonen. “ Communal villages bad”, zegt hij in het gebroken Engels dat een Zuidafrikaanse officier hem leerde. Zuid-Afrika ook bad, zegt hij nu braaf. Maar hun wapens zijn beter dan die van het Frelimo, en vooral hun radio's. “ Very good, very good.”

Alfredo haalt een verfomfaaid papier uit zijn spijkerbroek.

” Deixai de natar os vossos pais, os vossos filhos, e os vossos irmaos sem razao: hou op met het vermoorden van je ouders, kinderen en broers.” Een strooibiljet dat het Frelimo boven zijn kamp heeft uitgeworpen: “ Vernietig niet langer je land dat zoveel opoffering en bloed van onze beste zonen heeft gevraagd om het te bevrijden van vreemde overheersers... Vergeet niet dat je door de bandieten gedwongen bent. Stop nu met je misdaden. Grijp deze kans.” Ook Alfredo heeft zich aangegeven en hij heeft er geen spijt van. Hij wordt goed verzorgd en een Amerikaanse hulporganisatie leidt hem op tot timmerman. Nu bouwt hij mee aan een 'vrij en onafhankelijk Mozambique'. Zo zegt hij het, zo staat het in het strooibiljet.

'' Wat bouw je dan?''

'' Een vergaderzaal.'' Daar komen de Frelimo-mannen praten en worden de amnestiados opgeleid tot goede burgers.

'' Kan je al die doden in je leven vergeten?''

'' It's like cutting hair'', lacht Alfredo onnozel.

Als we in de auto stappen zegt een Amerikaan van Care dat Alfredo nog lang zal moeten blijven. “ Hij moet zijn gevoel terugkrijgen. Bij het Renamo leren ze stap voor stap te doden, ze beginnen als dragers, dan moeten ze jagen en bloed drinken. Wie zich verzet wordt gestraft of geexecuteerd. Na de dieren volgen de mensen. Zo wordt hun weerstand gebroken, ze eindigen zonder moraal.”

Nu de gevaarlijkste stukken achter ons liggen, nemen de Frelimo-soldaten toe. Ik zwaai naar elk uniform, bang voor de volgende knal.

” Vertrouw ze niet”, zegt Buckley, “ ze zijn arm, verveeld en wanhopig, het enige wat ze bezitten is een geweer. Als ze honger hebben pakken ze wat er langskomt.”

” Wil je zeggen dat het leger ook... “

'' Frelimo by day, bandit by night'', zegt hij verstoord, meer wil hij er niet over kwijt. Claus is al zo zenuwachtig. Buckley bestookt ons liever met getallen. Hoeveel tonnen Beira wel niet aankan sinds de haven door verschillende buitenlandse bedrijven werd opgeknapt. Het havenhoofd is vernieuwd. Dag en nacht liggen de soldaten met hun oor op de pijplijn, de weg wordt gerepareerd. Wel zestien landen stuurden experts. Locomotieven uit Amerika, Italiaanse ingenieurs, Hollandse baggeraars. Was er in 1988 nog maar vijf dagen elektriciteit per maand, nu wel twintig.

Mozambique heeft zwaar voor zijn stellingname moeten boeten. Een van de eerste daden van het Frelimo was een boycot van het illegale Smith-regime. De grens werd gesloten, de hotels bleven leeg en de vakantiebungalows, de stranden, de havens, het spoor. In 1980, na de onafhankelijkheid van Zimbabwe, hief de regering de sancties op. De haven herstelde zich moeizaam, tot het Renamo kwam en de burgeroorlog uitbrak. Tienduizenden deslocados vluchtten uit het gebrandschatte platteland naar de stad. De weg naar Maputo was vernield en onbegaanbaar. De vakantiebungalows werden vluchtelingenkampen en aan alles ontstond tekort. De bandieten vernietigden de elektriciteitstoevoer en zonder stroom ook geen water, omdat de pompen dan niet werkten. Beira had wel een generator maar wanneer de autoriteiten aankondigden dat er een uur stroom kwam, trok iedereen op dat moment de wc door, met het gevolg dat alle leidingen barstten. De stad is op een moeras gebouwd en de waterspiegel hoog. De wc's vervuilden het grondwater en er braken ziektes uit. Water koken kon nauwelijks want er was geen hout. Sprokkelaars werden door de bandieten vermoord. Elke kilometer buiten de stad nam het gevaar toe. Houtprijzen stegen gigantisch, dus sloopten de mensen het hout uit hun huizen. De stad verkruimelde onder hun handen. Beira betaalde de hoogste prijs.

Maar Buckley is optimistisch. Als je niet te hoog woont komt er water uit de kraan. “ De tijd van drollen in de wasbak is voorbij.”

Peter kent Beira nog van voor de onafhankelijkheid. Logeren in het Grande Hotel, eten in Club Nautica, dansen in Le Moulin Rouge. “ Staat het er allemaal nog?” vraagt hij. “ Well... eh eh”, hakkelt Buckley, “ het heeft een kwast nodig.” Peter lacht weemoedig.

In de verte fluit een trein. We rijden door een geblakerd stuk land, de greppels zijn met een bulldozer gelijkgemaakt. Er is geen hut, tent of soldaat te bekennen. “ Een Renamo-oversteekplaats”, zegt Buckley. “ Altijd platgebrand.” Buckley trapt de gaspedaal in, de banden ratelen op het gruis. Het gefluit van de trein houdt aan, de berm smeult.

Rook slaat over de weg. Daarbovenuit stoomt een locomotief, niet naar Harare, niet naar Beira, maar hemelwaarts, op zijn achterste wielen. Neus en pijp in de lucht, blazend en tierend als een gewond dier. Buckley rijdt zo hard als hij kan. We moeten alle kanten opkijken: niets dan stoom en een paar mannen die met takken de brandende berm doven. Claus duikt onder de bank. Buckley stopt, controleert of onze deuren van binnen gesloten zijn en wacht een paar minuten met draaiende motor. Dan beveelt hij ons uit te stappen.

We lopen terug. “ Confusao, confusao”, roept de machinist ons toe - verwarring, het nationale eufemisme voor een overval. De locomotief is gister door een raket geraakt. De ingewanden liggen verbogen en verschroeid langs de rails. “ Zo menselijk, zo menselijk”, zegt Buckley als hij langs het verwrongen ijzer loopt.

Drie goederenwagons zijn ontspoord. De kolen in de machinekamer gloeien nog, er is maar een spoor beschadigd. Even verderop ligt een rode diesellocomotief, een maand eerder beschoten, nu kringelt er al een liaan om de draden en buizen. De stokers, nat van zweet (de zakthermometer wijst achtenveertig graden Celsius), houden de kolen brandend. Het is hun enige bescherming. Ze hebben geen wapens, geen eten en ze zijn bang. Hulp uit Beira kan nog dagen duren. De soldaten die met elke trein meereizen zijn er na de aanslag vandoorgegaan. Peter geeft ze de laatste broden en wat geld.

” Noteer”, zegt Buckley, “ kilometerpaal honderddrieentachtig”. Hij rijdt niet weg voor ik het heb opgeschreven.

D en halfuur later nadert op het an dere spoor een goederentrein met containers uit Beira. “ De corridor werkt”, roept Buckley, hij wuift naar de stokers en toetert in cadans: We-are-the-route, we-are-the-route. De trein fluit in hetzelfde ritme terug. De gaten in de weg zijn gedicht. We ruiken de zee. De autokerkhoven nemen toe, honderden Tsjechische autobussen, nog nieuw maar zonder banden. Bergen roestige tanks. Veilig Beira zindert in de verte.

We voelen ons een beetje helden vandaag, er komt maar zelden een personenauto uit Zimbabwe over de weg. De soldaten voor het Oostduitse opleidingskamp steken hun geweren naar ons op. De rode baretten, door de Russen getraind, zwaaien. Buckley salueert niet. Twee knapen van de militaire landingsbaan houden ons midden op de weg tegen.

'' Pao, cerveja, brood, bier... Viva Mugabe''. Achter het hek liggen een paar gedeukte Migs in het gras.

” Ze leren in honderd uur vliegen”, zegt Buckley, “ alleen bij daglicht. Een op de drie kan het. De anderen storten neer. Ze oefenen maar zelden en krijgen te weinig benzine zodat ze niet naar andere landen kunnen vluchten.”

'' Welke landen?'' vraagt Claus.

'' Zuid-Afrika.''

Hij trekt zijn als-ik-het-niet-dacht-gezicht.

D ven voor Beira ligt de Citade de Canico, o, een rieten stad vdeslo cados, gebouwd op de vloedgronden. De sterfte aan malaria is groot. Als straks de rivieren buiten hun oevers treden, wonen de ontheemden op het dak. Ook zij zwaaien naar ons. “ Mozambikanen hebben een oneindig vermogen tot lijden”, zegt Buckley, “ ze sterven vermoedelijk lachend en zwaaiend.”

In de stenen stad ziet Buckley schoenen, kleren, een school, een nieuw hek om een perk: “ Ze zijn beslist op de goede weg.” Ik zie ingestorte gebouwen, roetkoeken langs de balkons, Portugese lichtreclames zonder letters, trottoirs die door boomwortels zijn opengebarsten, badkuipdiepe gaten in de straten. Moeders met baby's i hun verschoten capulana's, oude mannen, zwervende kinderen op de stoep van de Loja Franca, de deviezenwinkel voor buitenlanders en partijgangers. Nauwelijks jongemannen, geen opgeschoten jongens. Wie weerbaar is vecht.

Omdat we wit zijn en de majoor hoog, slapen we in een oud-koloniale villa aan het strand, genaast van een Rhodesische tabaksplanter en nu een doorgangshuis voor Britse militaire officials. Buckley zal ons aanmelden bij de BCA en de BCG. Hij wil dat de Beira Corridor Group en de Beira Corridor Authorities ons in hun statistieken opnemen. Elke auto die hij erdoor brengt telt.

Claus gaat lijkbleek naar bed. Peter en ik lopen naar het nabijgelegen Grande Hotel. De letters wenkten ons al vanaf het strand: RA D. ..T. De rest is verdwenen. Het is een kotskleurig cavalje, prut loopt langs de balkons, groene loten schieten uit de muren. De zijtuin is een vuilnishoop. Dit was het mooiste hotel van de stad. Vierentwintig uur per dag feest en nu al jaren vol ellende. Tien mensen op een kamer en honderden op de gangen. Drieduizend vluchtelingen vinden hier een onderkomen.

De balie staat nog in de hal en ook de eeuwige kalender wordt nog bijgehouden: 10 oktober 1989. De mat is een afgetrapt rafelig dier, een verzuurde klimplant vlecht zich in een niervormig hekje. De ramen zijn grijs van vingers en stof. Het parket is van de vloeren getrokken. De trappen buigen naar twee kanten. De treden zijn om en om weggesloopt. De gordijnen hangen er nog, ze verkeren tussen draad en spinrag. Een prachtig decor, je hoort de avondjurken over de trappen ruisen, maar het is de branding die in de gangen weerkaatst. Geen zeebries kan de geuren verjagen. De liftkokers zijn volgekakt, achter de raampjes klonteren pilaren van poep. Moeders met zogende baby's wonen op een stuk karton, kookpotten pruttelen in de gangen. Licht en stromend water is er niet.

Boven hoopt de stront kuithoog in de gangen. We lopen er met toegeknepen neus doorheen, misselijk, onze ogen tranend. Hele gezinnen zitten in het vuil, het lijkt ze niet te deren, ze praten, ze lachen, eten. Een picknick in een beerput.

Op het land is de armoe nog groter, maar hoe schamel ook het kot, altijd zie je het bijna rituele gebezem om de hutten, de aarde tot op het bot schoongeveegd, om de slangen weg te houden. Hier is de laatste bezem opgestookt. Het ongedierte heeft gewonnen. Deze mensen woonden niet eerder in een stenen huis. Badkamer, keuken, vensterbank - het zegt ze niets. Als er hout inzit breken ze het weg. Een glimmende deurknop hangen ze om hun nek. Hun families zijn uiteengereten, tradities vertrapt, niemand heeft een plaats voor zichzelf. Hun schaamte is met eelt bedekt. Het zijn ontwortelden in een stenen stad.

Achter in de benedenhal ligt de balzaal, onaangeraakt door slopershanden. Kroonluchters, pluchen banken met roodbolle kussens - zo merkwaardig rijk en vet te midden van de menselijke magerte - en gordijnen. Alles onder een grijs rag bedekt. De balzaal van Miss Havishham. Zelfs het parket ligt er nog, al jaren niet betreden, want een zwaarversierd hek sluit de balzaal van de gangen af. Niemand weet waar de sleutel is. Ingeslikt door de laatste danser.

Peter rammelt aan het hek. Hij zegt allang niet meer: hier was dit en daar was dat. Hij schreeuwt: “ Who is fucking up this country!” Zijn schaduw danst over de vloer. Boven ons brandt de enige lamp in het hotel, een neonbuis, afgedekt met kippegaas onder stroom. Niemand die hem stelen zal.

Buiten op het gebarsten terras naast het lege zwembad zit een groepje oudere mannen te roken. Krantepapieren toeters, gevuld met grove tabak. Ik wens ze 'bom dia', een goedemorgen, terwijl het al bijna avond is. Ze lachen en wensen ons in koor 'boa tarde'.

Een grijns blijft hangen, ook als er niets meer te lachen valt. Het is een mutilado. Hij heeft geen lippen meer, zijn neus is eraf, zijn beide oren, hij mist zijn rechterhand. Hij stelt zich voor als Alfredo Santos Machia. Hij is bereid zijn verhaal te vertellen. In het Portugees, Peter vertaalt.

” Ik was een goede boer”, zegt meneer Machia, “ ik had een flinke machamba in Matsinho, vier geiten, drie kinderen, een vrouw en een fiets.” Zijn woorden slissen tussen zijn open tanden. Speeksel valt op zijn broek, zijn sigaret druipt in zijn mond. Hij spreekt als een slang.

Op een dag werd hij op het veld door een groepje bandieten aangevallen. Ze brachten hem en zijn fiets naar een Renamokamp, een paar kilometer verderop. Daar bonden ze zijn armen en benen vast en werd hij geblinddoekt met een rode lap. “ Het was alsof de zon onderging”, zegt meneer Machia. De Renamo-commandant verdacht hem ervan dat hij een Frelimo-spion was. Ze sloegen hem en sloten hem op in een hok.

De volgende morgen begon het echte verhoor. “ Ben je een spion?” vroeg de commandant.

'' Nee.''

'' Ben je doof?''

'' Nee.''

'' Je bent doof.'' Ze sneden hem zijn linkeroor af en duwden het in zijn mond. Hij moest het opeten. Ze lachten hem uit terwijl hij op zijn eigen oor kauwde en dwongen hem het door te slikken. De volgende dag moest hij zijn andere oor opeten.

Omdat hij de bandieten niets kon vertellen, ook niet toen ze hem zijn neus afsneden, wat maar moeilijk ging omdat hij een harde neus had (Meneer Machia lacht om zijn grap en alle mannen om hem heen lachen: Haha, een harde neus), sneden ze hem ook zijn lippen af en brachten hem naar de weg. Daar zou het Frelimo hem wel vinden.

Meneer Machia sleepte zich door de modder, om het bloed uit zijn neus en mond te stelpen bedekte hij zijn wonden met klei en bladeren. Hulp bleef uit. Twee passerende boeren schrokken zo van zijn gezicht dat ze ervandoor gingen.

De volgende dag kwamen de bandieten opnieuw; een andere bende. Ze trapten hem terug de berm in en een jongen sneed zijn rechterhand af. Ook dat ging moeilijk. Meneer Machia laat twee kerven boven zijn pols zien waar het kapmes niet door het bot kwam. Hij dronk dauw en modderwater en wist na twee dagen kruipen zijn hut te bereiken.

Nergens een teken van zijn vrouw en kinderen. Alle mensen waren weggevlucht omdat het hele gebied nu in handen van het Renamo was. Meneer Machia besloot toen te sterven. Hij heeft God gebeden zich over zijn ziel te ontfermen, en toen kwam er een geit binnen die om haar kleintjes blerde. Ze ging wijdbeens boven zijn gezicht staan. Zo heeft meneer Machia zich gevoed. Vier dagen lag hij op de grond en sterkte zich aan haar melk. “ Die geit was een engel”, zegt hij, “ een engel van God.”

Uiteindelijk werd hij door het Frelimo gevonden en naar Beira overgebracht. Daar heeft hij een jaar in het ziekenhuis gelegen. Ze hebben geprobeerd hem nieuwe lippen te geven door een stuk uit zijn dij te snijden, maar het vlees wou niet hechten. “ Het is mislukt”, lispelt meneer Machia, en hij laat de kartelrand om zijn opgezwollen tandvlees zien.

Van zijn vrouw en kinderen heeft hij nooit meer iets gehoord. Hij leeft van de pakketten van hulporganisaties en woont al twee jaar in het Grande Hotel, beneden in een washok. We vertellen hem dat we in de buurt van Matsinho waren en dat zijn dorp nu in handen van de regering is, maar meneer Machia wil niet terug, hij durft niet door de corridor. Hij wacht liever tot de 'situacao'ao' voorbij is'Situacao'ao' - de situatie, niemand spreekt hier over oorlog. Waofficieel bestaat de vijand niet. Zoals men het ook over bandieten heeft wanneer men het Renamo bedoelt, en een overval afdoet als 'confusao' - verwarring. Verzachtende woorden voor een van de wreedste oorlogen van de eeuw. Een half miljoen kinderen hebben hun ouders voor hun ogen zien sterven, honderden kinderen zijn in het bijzijn van hun ouders levend gekookt. Hoofden van oude mensen worden door de bandieten als krukjes gebruikt, weigerachtige boeren aan bomen genageld. Elke vluchteling, kind of volwassene, kent zo'n verhaal. De oorlog zien is luisteren.

A ls ik 's avonds op het balkon, de vingers nog vet van de garnalen (er is geen zeep), bij petroleumlicht in mijn dagboek zit te schrijven, komt Claus tegenover me staan. Zijn haar nat achterover, twee vlammetjes in zijn beschonken blauwe ogen. Hij heeft zijn auto laten wassen en zijn schrik in zee afgespoeld.

” Ken je het verhaal over die drie muizen die naar de Mondscheinsonate luisteren?” vraagt hij. “ 'Ik weet waar het geluid vandaan komt', zegt de ene muis. 'Van de snaren, ik zag ze trillen.' 'Nee', zei de andere, 'ik weet het: van de hamers, ik zag ze slaan.' 'Mis', zei de derde, 'van de toetsen, ik zag de man erop drukken.' Maar Beethovens muziek kwam van geen van die drie plaatsen. En zo is het ook met Mozambique!” schreeuwt hij plotseling. “ Hoe durf je na twee dagen iets over dit land op te schrijven.”

'' Ik blijf misschien wel twee maanden'', zeg ik geschrokken.

” Je moet hier twintig jaar wonen voor je er iets van begrijpt. Er is altijd bandieterij in Mozambique geweest. De Portugezen hebben dit land nooit helemaal in handen gehad. Elke provincie kende zijn rovende war lords. Dit is een middeleeuwse oorlog, het platteland met al zijn stammen is net zo feodaal als het middeleeuwse Duitsland.” En dan, gemeen zachtjes: “ Heb je al een mening?”

'' Ik schrijf op wat ik zie en hoor'', zeg ik.

'' De Frelimo guy en de Renamo guy schrijven niet hetzelfde verslag over een tenniswedstrijd.''

'' Ik luister naar alletwee.''

'' You can't make statements about Mozambique, nozzing is true, nozzing is a lie'', en hij blaast mijn walmende lamp uit. . . Zimbabwe African National Union, oorspronkelijk een uit Mozambique opererende verzetsbeweging, thans als Zanu Patriotic Front de regerende partij in Zimbabwe

    • Adriaan van Dis