De situatie

De eerste ochtend boven Afrika - de zon al helder schuin boven ons zodat de schaduw van het vliegtuig een kruis op de bodem tekende - las ik in de International Herald Tribune een klein bericht: “ President Joaquim Chissano van Mozambique somt op wat dertien jaar guerrilla-oorlog een land heeft aangedaan. 600.000 tot 700.000 doden, 1, 6 miljoen vluchtelingen, 2.599 lagere scholen en 822 plattelandsklinieken vernietigd of tot sluiting gedwongen. 44 Fabrieken en meer dan 1000 winkels met de grond gelijk gemaakt.”

De oorlog begon een jaar na de onafhankelijkheid van Mozambique, in 1976, en vijf jaar later woedde hij in alle poten van de Y die het land op de kaart vormt. Het wegennet is vernield, de economie ingestort, gemeenschappen zijn uiteengereten, zes van de vijftien miljoen Mozambikanen lijden honger. De oorlog bracht het hoogste kindersterftecijfer van de wereld.

Het is een oorlog van het Renamo tegen het Frelimo, Mozambikanen tegen Mozambikanen. Het Frelimo is de door het marxistisch-leninisme geinspireerde staatspartij die al sinds de onafhankelijkheid aan de macht is. Het Renamo is de vijand en wordt Bandidos armados genoemd, of kortweg Bandidos. De bevolking spreekt dikwijls van Matsanga, naar de in de strijd gestorven oprichter van het Renamo, Andre Matzangaissa.

De situatie is ernstiger dan een strijd tegen gewapende bandieten. Het Renamo heeft het grootste deel van Mozambique in handen. Tachtig procent, zeggen de Renamo-leiders, maar dat is onwaarschijnlijk, daarvoor is het land te groot, te leeg, te onherbergzaam, zijn de verbindingen te primitief en is het bandietenleger van vijfentwintigduizend man te klein. Duidelijk is dat de regering het niet overal voor het zeggen heeft. Grote delen van de tien provincies zijn onbereikbaar voor de Frelimo-troepen. Alleen in de grote steden en in de provinciehoofdplaatsen bestaat nog zoiets als een Frelimo-bestuur.

Het is een vreemde oorlog, er is geen front maar de angst is overal. De bandieten komen en gaan, bezetten niet, oefenen geen bestuurlijke macht uit, alleen terreur. Het Renamo is berucht om zijn wrede strijdmethoden. Kleine bendes trekken door het land, ze branden dorpen plat, moorden en roven, verkrachten en dwingen mannen en kinderen zich bij hun benden aan te sluiten. Het is een manier om de onmacht van het regeringsleger - in de volksmond eveneens Frelimo genoemd - aan te tonen.

Voor de regering is de binnenlandse strijd geen burgeroorlog maar een vorm van buitenlandse agressie. Het Renamo werd in 1976 door het Rhodesische leger opgericht als een schijn-terroristische beweging. Uit Mozambique gerecruteerde zwarte soldaten, gevluchte Portugezen en oud PIDE-agenten moesten aanslagen plegen die de Rhodesische vrijheidsstrijders in diskrediet brachten. Ook de in het onafhankelijke Mozambique regerende Frelimo-partij - die de vrijheidsstrijders een uitvalsbasis bood - moest zoveel mogelijk schade worden toegebracht. Toen Rhodesie Zimbabwe werd, nam Zuid-Afrika de steun aan het Renamo over. De soldaten werden beter getraind, kregen modernere wapens en de communicatiemiddelen werden verbeterd. Het Frelimo was niet op deze plotselinge kracht verdacht en een jaar later infiltreerde het Renamo negen van de tien provincies. Het Renamo stond nu in dienst van de destabilisatiepolitiek van Zuid-Afrika, dat het marxistische bewind in de hoofdstad Maputo zoveel mogelijk wenste te ondermijnen. Het was een straf voor het verlenen van gastvrijheid aan het ANC en voor het actieve boycotbeleid van Mozambique, waardoor Zuid-Afrika de toegang tot de voor Transvaal zo belangrijke haven van Maputo ontzegd werd.

Niet alleen Zuid-Afrika steunde de bandieten, ook oudkoloniale Portugezen elders in Afrika en in Brazilie en conservatieve kringen in de Verenigde Staten steunden het Renamo politiek en financieel. Het zo verarmde Mozambique kon zich noch oorlog, noch boycot veroorloven. In 1983 was het land failliet. Een jaar later sloot het een non-agressiepact met Zuid-Afrika af, het zogenaamde Nkomatie-akkoord. Mozambique stemde erin toe de ANC-top het land uit te wijzen. Mozambique hield woord, Zuid-Afrika niet. De Renamo-aanvallen namen zelfs toe. In 1985 werden bij een aanval op een Renamo-hoofdkwartier op de Gorongosa-berg dagboeken gevonden die wezen op aanhoudende Zuidafrikaanse steun. Hoge Zuidafrikaanse autoriteiten als de opperbevelhebber van het Zuidafrikaanse leger en de staatssecretaris van buitenlandse zaken hadden het kamp zelfs enkele weken voor het werd overvallen bezocht. De dagboeken toonden aan dat er een scheuring in de Zuidafrikaanse regeringstop moest bestaan over steun aan het Renamo. Maar er werden geen disciplinaire maatregelen genomen tegen de autoriteiten die het akkoord schonden. Sommigen kregen zelfs promotie.

Nog steeds druppelen de bewijzen binnen dat Zuid-Afrika - of in ieder geval onderdelen van het Zuidafrikaanse leger - het Renamo ondersteunt, al zijn de bewijzen tegenwoordig niet zo overtuigend als de dagboeken in Gorongosa. Ook in de Verenigde Staten heeft het Renamo nu zijn sympathie verspeeld; een Amerikaanse onderzoekscommissie bracht de gruwelijkste feiten onder de aandacht en beschuldigde het Renamo van de ergste massamoorden sinds de Tweede Wereldoorlog. In het rapport werden de wreedheden vergeleken met die van het Pol Pot-regime in Cambodja. Geen enkel democratisch land steunt het Renamo nu, integendeel. Sinds het Frelimo het marxisme officieel heeft afgezworen, staan de landen in de rij om Mozambique te mogen helpen. De enige industrie die bloeit is die van de buitenlandse hulp. Het Renamo mag de propaganda-oorlog verloren hebben, de oorlog gaat nog gewoon door. Er is voortdurend sprake van vredesonderhandelingen, maar vooralsnog hebben de gesprekken geen resultaat. Er is een monster gebaard dat niemand meer in de hand kan houden.