Brummen, dat is het westen al

Vijftien miljoen Nederlanders. In de trein naar Deventer zie ik ze opeens allemaal voor me, waardoor de moed me enigszins in de schoenen zinkt. Om dit tegen te gaan, probeer ik mijn gedachten te bepalen bij die ene, naar wie ik onderweg ben. Zijn bestaan heb ik opgemaakt uit de ANWB-toeristenkaart nummer 7 (Veluwe). Daar staat een streepje over de IJssel, daar moet een veerman zijn.

Een oude baas, verwacht ik min of meer. Een oude baas in manchester. Met een verweerd gezicht en een ontbrekende vinger aan de rechterhand, vermoedelijk de pink. Zo eens per uur komt hij achter de kachel vandaan om een voetganger over te zetten. In de tussentijd vertelt hij welgemoed over nachtelijk duister, vliegende storm en kruiend ijs.

Van Deventer naar Olst. Hoe was het ook alweer? Olst en Wijhe exportslachterijen!

In tien minuten loop je van het station naar de veerstoep. Zondag, een helder moment tussen elkaar opjagende depressies. Mat glanst de rivier in de winterzon. Het water glijdt voorbij. De motorpont legt brullend aan. Plaats voor vele auto's. De baas is jong, misschien wel jonger dan ikzelf.

” Ik wou een tijdje met u heen en weer varen”, zeg ik, “ en een praatje maken.”

Hij heeft het druk. Hij draagt verantwoordelijkheid. Hij zegt: “ Als u wat van mij wilt weten, moet u opbellen en een afspraak maken.” Zijn naam is Geist, maar al vroeg in dit vak is mij geleerd geen uitroeptekens te plaatsen achter mensen hun eigennamen.

De treinenloop laat me bijna een vol uur om op de dijk te staan, leunend tegen een hek met het bord natuurreservaat, geen vrije toegang. Er staat een norse wind. Gelukkig heb ik mijn kijker bij me. Twee beige pony's in de uiterwaard, pluizige vacht, reusachtige kaken. Meerkoet, ekster, kokmeeuw, maar voor meerkoet, ekster, kokmeeuw hoef je niet in Olst te zijn.

Almaar gaat de veerpont heen en weer. Kijk je op de kaart, dan snap je niet waar al dat verkeer toe dient. Aan de ene kant is niks, namelijk Welsum, aan de andere kant bijna niks, namelijk Olst. Toch al die auto's. Het is gewoon heel druk in Nederland, nog drukker dan je dacht. En op zondag rijden de mensen voor hun lol.

In dat uur, op die dijk, verwonder ik mij vooral over de houding die de veerman had aangenomen. Lichtelijk verongelijkt. Bestraffend zelfs. Misschien terecht. Misschien vermoedde hij het beeld in mijn achterhoofd, de oude baas in manchester. Er zat, voor zover ik weet, geen kwaad bij dat beeld, hoogstens een onhandig verlangen naar vroeger. Maar misschien was het te makkelijk, te plat, beledigend.

Nu via Deventer, Zutphen naar Brummen, want daar staat ook een streepje over de IJssel. Het lopen duurt hier langer. De weg voert in een weidse slinger door de uiterwaarden en ik moet steeds opzij voor tegemoet- of achteropkomende auto's.

Ook hier een motorpont, maar kleiner. Er passen net acht auto's tussen de slagbomen. De veerman rommelt in zijn tas met geld. Hij heeft al zijn vingers nog.

” Ik wou een praatje met u maken”, zeg ik. “ Maar ik zie het al, het is veel te druk.”

” Dat is het mooie weer”, zegt hij content. “ Allemaal zondagmiddagklantjes. Ga maar in de cabine zitten.” En in die cabine varen we de rest van de middag heen en weer, telkens naar de overkant.

Bronkhorst-Brummen in anderhalve minuut, Brummen-Bronkhorst in twee minuten. Het gaat nog net, want als daar aan de zuidkant een schip uit de bocht komt, kan het precies in twee minuten hier zijn. Vroeger gingen ze zes, zeven kilometer per uur, nu lopen ze wel twintig.

Ook aan de de noordkant verdwijnt de rivier in een bocht en die is zelfs dichterbij, maar daarvandaan vaart een schip tegen de stroom in, niet zo hard. De knotwilgen, die het zicht ietwat belemmeren, kunnen dus gerust blijven staan, alsjeblieft wel, want het is allemaal toch al veel kaler dan vroeger.

Hij is achtendertig. Spijkerpak, pet, schipperstrui. Tenger, donker en rustig. Hij praat zoals iemand praat die tevens een auto moet besturen, met oog voor de weg.

Lagere school in Steenderen, MULO in Brummen, Middelbare Landbouwschool in Zutphen. Hij had wel naar zee gewild, maar per slot van rekening was het water van de IJssel genoeg. Na grootvader en vader is hij de derde Wijers op dit veer.

Vroeger was er natuurlijk een cafe bij. Voor de oorlog was er zelfs een kleine loswal, waar turf en zo werd gebracht. Meer aanloop, meer gezelligheid dan nu. Ja, in bepaalde opzichten leef je nu geisoleerder. Vroeger gingen de mensen uit Bronkhorst in Brummen naar de winkel, nu nemen ze de auto en gaan ze naar Zutphen of Doetinchem. Nee, plaatselijk verkeer is er nog maar weinig. Je bent aangewezen op toerisme. Dat betekent dat je in de zomerdag voor het hele jaar de kost moet verdienen.

's Winters zou je het bedrijf eigenlijk moeten staken. Om toch uit de kosten te komen, heb je een subsidie nodig. Daar zorgt de provincie voor en die doet er nooit moeilijk over. Maar nu is het de bedoeling dat dat in '92 overgaat van de provincie naar de gemeente en de gemeente kan best zeggen: wij hebben geen belang bij dat veer, wij hebben liever een nieuwe sporthal. En wat krijg je dan? Vriendjespolitiek, kontlikkerij. Daar heeft hij beslist geen behoefte aan.

Ach, Nederland, je bent niet anders gewend. Iedereen heeft wel wat te kankeren, maar hij is laatst in Zweden geweest en duur dat het daar was! Best tevreden dus. Alleen dat van die subsidie, dat dat naar de gemeente gaat, dat zou in de krant moeten, want het zit er dik in dat veel kleine veertjes gaan verdwijnen. Op de laatste vergadering van de Nederlandse verenvereniging heeft hij een hoop pessimistische geluiden gehoord.

Ach, Europa, ze willen een Europa, maar nou moet je eens kijken wat alleen al zo'n IJssel een scheiding is. Aan deze kant is de sfeer heel anders, veel gemoedelijker. Deze kant is voor hem Bronkhorst, de andere kant Brummen. Hij is blij dat hij zijn schip 's nachts niet daar heeft liggen. Dan zou je echt niet rustig slapen. Diefstal, vernielingen, noem maar op. Aan de overkant hing bijvoorbeeld een koperen bel met een schuifklepel, vastgemaakt met klinknagels van een millimeter of tien. Maar mooi gejat! Brummen, dat is welbeschouwd het westen al.

Uiteindelijk ga ik toch aan die kant het veer weer af. De weg maakt dezelfde weidse slinger terug, maar het is inmiddels na half vijf, bijna avond. Het dooit in Duitsland, de IJssel wast, de uiterwaard loopt langzaam onder.

Boven de Veluwe zit een roze veeg in de hemel, boven de Achterhoek hangt een enorme gapende maan. Ik loop daar zo'n beetje tussendoor.

De pont is alweer halverwege. Gebouwd in 1936, zo werd me verteld, en eerder heeft hij gevaren tussen Brakel en Herwijnen. Als dat waar is, heb ik als kind diezelfde pont heel wat keren de Waal zien oversteken. Is dat niet typisch Nederland, dat je altijd bedacht moet zijn op ontmoetingen met oude bekenden en daardoor met jezelf?

    • Koos van Zomeren
    • Freddy Rikken