ALAN MOOREHEAD; Een legendarische oorlogscorrespondent

Alan Moorehead

door Tom Pocock

311 blz., geill., The Bodley Head 1990, f 65, 50

ISBN 0 370 31261 9

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was hij 'de beroemdste van alle oorlogscorrespondenten', schrijft Tom Pocock in zijn biografie van Alan Moorehead, “ en ik de jongste en minst ervarene. Hij leek een koninklijk aandoende rondreis te maken langs de bevrijde hoofdsteden van Europa en de slagvelden, bezoeken afleggend bij de hoogste Geallieerde commandanten als het hem zo uitkwam; er ging zelfs het gerucht dat hij zijn eigen Napolitaanse kok had meegenomen van het Italiaanse front”.

Alan Moorehead, Australier van geboorte, was toen vijfendertig jaar oud. Hij was in dienst van de Londense Daily Express, met zijn oplage van drie miljoen exemplaren een van de grootste kranten ter wereld, en hij stond op het hoogtepunt van een journalistieke carriere, die hij kort daarop zou afbreken ten gunste van een loopbaan die hem nog meer roem en rijkdom moest (en ook zou) opbrengen - als schrijver van boeken die over de hele wereld werden gelezen.

In de daarop volgende twintig jaar publiceerde Moorehead een respectabele reeks terdege gedocumenteerde boeken over uiteenlopende, doorgaans historische onderwerpen, zoals Gallipoli (een episode uit de Eerste Wereldoorlog die in Australie legendarische proporties heeft), The Russian Revolution, The White Nile en The Blue Nile (over de ontdekking van de bronnen van de Nijl in de negentiende eeuw), Cooper's Creek (de exploratie van de barre binnenlanden van Australie) en The Fatal Impact, dat de Europese invasie van de Zuid-Pacific in de periode van 1767 tot 1840 als onderwerp heeft.

. VERLAMD

. Toen drie jaar na The Fatal Impact, in 1969, Darwin and the Beagle verscheen, een boek dat een van Mooreheads bekendste zou worden (het werd in het Nederlands uitgegeven, in 1971 door de Perscombinatie), verkeerde de schrijver inmiddels in wat de derde en laatste fase van zijn leven zou blijken te zijn: de fase waarin hij, door een hersenbloeding met bijna fatale impact getroffen, nog slechts een hulpeloze invalide was. Aan een kant van zijn lichaam was hij verlamd, spreken kon hij nauwelijks meer en schrijven al helemaal niet. Op zijn zesenvijftigste was zijn schrijversleven daarmee abrupt beeindigd. Het materiaal voor Darwin and the Beagle werd onder redactie van zijn vrouw (die ook journalist was geweest) tot boek bewerkt; eenzelfde procedure lag ten grondslag aan zijn autobiografie, A late Education, die nog in 1970 verscheen. En daarna was het afgelopen.

De 'man of action' die zich naar het model van zijn fameuze vriend Hemingway had ontwikkeld tot een succesvolle 'man of letters', bracht de laatste zeventien jaar van zijn bestaan door als gevangene van zijn invaliditeit. Een tweede hersenbloeding maakte in 1983 ook hieraan een eind.

Alan Moorehead werd in 1910 in een voorstad van Melbourne geboren als jongste zoon van een journalist. Via wat omzwervingen kwam hij op de universiteit terecht en dat betekende tevens zijn kennismaking met de journalistiek, want voor de Melbourne Herald begon hij het universitaire nieuws te verslaan. Dit leidde ertoe dat hij in 1933 als verslaggever bij de krant in dienst kwam.

Drie jaar later trok hij, zoals zoveel avontuurlijke, ambitieuze Australische jongelui naar Engeland, waar hij een baan kreeg bij Beaverbrooks Daily Express. Al spoedig stuurde de krant hem naar Gibraltar, aan de periferie van de Spaanse Burgeroorlog en enige tijd later naar Parijs, waar hij als assistent-correspondent een comfortabel leven leidde. Hij had de beschikking over een luxueus appartement aan de Seine, een bediende en een auto.

In augustus 1939, vlak voor het uitbreken van de oorlog, kreeg hij zijn eigen correspondentschap in Rome. Aan Lucy Milner, een aantrekkelijke redactrice van de Express met wie hij enkele maanden later zou trouwen, schreef hij wat zijn voornaamste probleem was: “ ... de kopij op zo'n manier te schrijven dat hij gepubliceerd kan worden zonder de fascisten woedend te maken. Het is verdomde moeilijk de juiste hoeveelheid sensatie voor de Express te produceren zonder uit een land als dit te worden gegooid.”

Na de huwelijksvoltrekking, in Rome, keerde Lucy naar haar werk in Londen terug en Alan maakte een reis door het oostelijke Middellandse-Zeegebied (in Egypte ontdekte hij wat 'the world's best air raid shelter' was: de piramide van Cheops), waar hij de komende jaren het grootste deel van zijn journalistieke activiteiten (en talenten) zou ontwikkelen. In deze zelfde periode sloot hij vriendschap voor het leven met Alexander Clifford, correspondent van de concurrerende Daily Mail. Samen zetten ze een een-tweetje op om door hun kranten naar Kairo te worden uitgezonden: allebei stuurden ze hun chef buitenland een telegram dat de ander Kairo als vaste standplaats zou krijgen zodat de eigen krant natuurlijk moeilijk achter kon blijven.

. DE WOESTIJN IN

. De truc werkte. Na een scheiding van maanden slaagde Lucy, inmiddels hoogzwanger, erin Alan in Kairo te bereiken, waar ze eind 1940 samen met Clifford een flat betrokken. Een week na de geboorte van hun eerste kind trok Alan naar het front in de westelijke woestijn. De oorlog in Noord-Afrika was nu in volle gang. Moorehead nam als correspondent deel aan zeeslagen in de Middellandse Zee. Een voorbeeld: “ De Italianen vielen aan met bommenwerpers, onderzeeers en torpedoboten en de aanval werd uitgebreid beschreven door Moorehead, die met zijn draagbare schrijfmachine op het platform zat waar de zoeklichten stonden opgesteld, totdat het gebulder en gedaver van de kanonnen hem naar een beschutte plek dreven.” Hij was getuige van de woestijnoorlog die hier ruim twee jaar op en neer bleef golven tot na de beslissende overwinning van Montgomery bij El Alamein in oktober '42, en hij ontsnapte op het nippertje aan de dood toen hij samen met Clifford in een hinderlaag reed.

Na de slopende jaren in de woestijn, slechts onderbroken door reizen naar India en Amerika, keerde Moore-head met vrouw en zoon in de zomer van 1943 terug naar Londen. Maar niet voor lang: de oorlog werkte als een verslaving en hij vertrok naar Sicilie, waar hij met Clifford en Christopher Buckley, de correspondent van de Daily Telegraph, die zich bij hen had aangesloten, de voorgenomen invasie van Italie afwachtte. Ze vormden een onafscheidelijk driemanschap, dat roemrucht werd als 'The Trio'.

Na de Geallieerde herovering van Italie te hebben verslagen, maakte hij D-day mee, trok bevrijd Parijs binnen, vervolgens Brussel en, in het voorjaar van '45, het stuiptrekkende, verwoeste Duitsland. Zijn laatste oorlogsverslag kwam uit Oslo, waar hij voor de officiele Britse delegatie arriveerde en, in zijn eigen woorden, “ de overgave van 250.000 Duitsers accepteerde”.

Nu kon het schrijversleven van Alan Moorehead een aanvang nemen. Tussen alle bedrijven door was hij er de voorgaande jaren in geslaagd vier boeken over de oorlog te publiceren. Een paar keer had hij op het punt gestaan zijn dienstverband met de Express te verbreken, maar telkens weer had hij, 'the prince of correspondents', zich laten bepraten door zijn hoofdredacteur of door Lord Beaverbrook himself om aan te blijven.

Zijn besluit ontslag te nemen, werd door zijn uitgever, Hamish Hamilton, hartelijk toegejuicht. “ Veel goede schrijvers hebben zichzelf te gronde gericht door in de journalistiek te blijven, “ liet hij Moorehead met dat typisch Engelse gevoel voor understatement weten. Deze reageerde daarop met zijn eerste vrije produktie: een biografie van Montgomery, met wie hij bevriend was geraakt.

Het boek werd, zoals inmiddels bij deze auteur gebruikelijk was geworden, goed ontvangen, maar Moorehead bleek een heel wat minder gelukkige hand te hebben bij het schrijven van literair proza. Hij had zich met zijn gezin in een eeuwenoude villa in de heuvels boven Florence teruggetrokken om zich aan het schrijven van romans te wijden, een onderneming die op teleurstellingen, frustraties en depressies uitdraaide. Een van zijn manuscripten werd door een Amerikaanse uitgever zelfs teruggestuurd met de motivering: “ As a novel, it just stinks.” In de jaren die hem nog waren toegemeten als 'man of letters' zou Alan Moorehead zich voortaan hoofdzakelijk beperken tot non-fictie, zijn 'fort'.

. GALLIPOLI

. Op uitnodiging van Sir Keith Murdoch, een vooraanstaande Australische krantenuitgever, die in zijn jonge jaren als journalist de tragedie had onthuld van de Slag bij Gallipoli (Turkije) waarin duizenden Australische vrijwilligers zinloos waren omgekomen, keerde Moorehead in 1952 voor enige tijd terug naar zijn geboorteland. Het bezoek betekende een stimulans waaraan in dit stadium van zijn carriere dringend behoefte bestond. Na de creatieve mislukkig in de Toscaanse heuvels had hij enkele weinig opwindende jaren in Londen doorgebracht als public relations-ambtenaar op het ministerie van Defensie en in deze tijd waren zijn beide beste vrienden gestorven - Buckley door een exploderende landmijn in Korea en Clifford aan een ongeneeslijke ziekte.

Mooreheads verblijf in Australie verschafte hem de inspiratie voor een boek dat een van zijn grootste successen zou worden: Gallipoli. Hij won er enkele belangrijke literaire prijzen mee en zijn royalties brachten zijn jaarinkomen op het voor die tijd (tweede helft jaren vijftig) reusachtige bedrag van ruim dertigduizend pond. Het vormde een hecht financieel fundament onder de villa die Lucy en hij in Porto Ercole aan de Italiaanse kust lieten bouwen.

Volgende boeken, die zich beurtelings in Rusland, Afrika, Australie en de Stille Zuidzee afspeelden, verstevigden zijn reputatie als 'wereldberoemd schrijver' (zoals hij nu in de kranten werd genoemd) en, daarmee samenhangend, zijn vermogens- positie. Volgens zijn toegwijde biograaf was hij nog maar een stap verwijderd van de status van Hemingway - een man overigens die ondanks de vriendschap en bewondering die Moorehead hem toedroeg, in zijn door Pocock geciteerde herinneringen voornamelijk naar voren komt als jaloers, kleingeestig, egocentrisch en onberekenbaar. De hersenbloeding waardoor Alan Moore-head in 1966 werd getroffen, beeindigde echter zijn bestaan van ogenschijnlijk rusteloos rondreizen tussen de continenten (met inbegrip van Amerika, waar hij sinds een aantal jaren een buitenechtelijke, door Lucy moeizaam getolereerde verhouding had) en de elkaar opvolgende boekprojecten die er de infrastructuur van vormden.

Heldhaftig volgde hij de therapie die Roald Dahl voor zijn eveneens verlamde vrouw had ontworpen, maar de vooruitgang bleek op de lange duur toch niet meer dan marginaal. Alan Moorehead was een wrakkige en vaak ook wrokkige, oude man geworden, die voetje voor voetje voort kon schuifelen en die, als hij alleen was, een kaartje met zijn naam en adres bij zich moest hebben omdat hij niet meer kon praten. Lucy stierf in 1979 na een auto-ongeluk, waarbij Alan ongedeerd bleef. Vier jaar later was ook zijn tijd gekomen.

OPSOMMING

Met Alan Moorehead heeft Tom Pocock een boek geschreven van het soort dat doorgaans als 'vlot', of, als de recensent heel welwillend is, 'uitstekend leesbaar' wordt omschreven, een compliment dat zelden aangeeft dat er van een meesterwerk sprake is. Zo ook hier. Daartoe mist het helaas de 'epic quality' (Pococks eigen term in zijn inleiding) die Mooreheads levensverhaal in zijn ogen zo 'haunting' maakt, zo obsederend.

Pococks biografie is een, inderdaad, uitstekend leesbare opsomming van feiten, gebeurtenissen en ontwikkelingen, waaraan de diepgang ontbreekt die al die gegevens met elkaar verbindt en zin geeft. Werkelijk heel opvallend in dit verband is dat hij nergens ingaat op Mooreheads werk - zozeer dat ik me begon af te vragen of hij wel eens een boek van hem had gelezen. Van ieder nieuw Mooreheadboek wordt getrouwelijk vermeld dat de schrijver zich maandenlang documenteerde, er reizen voor ondernam, zich wekenlang in zijn villa opsloot, waarna het resultaat onveranderlijk 'to critical acclaim' (zoals Pococks standaardformulering luidt) werd gepubliceerd en in tienduizenden exemplaren werd verkocht. Maar geen woord over de inhoud, geen analyse, geen visie, geen enkele wezenlijke aandacht voor het oeuvre van een gevierd schrijver, dat toch de (voornaamste) raison d'etre van zijn biografie zou moeten zijn.

Phillip Knightley, ook een Australier die tot de top van de Britse journalistiek doordrong en schrijver werd, noemt in The First Casualty, zijn studie over oorlogscorrespondenten, Moorehead 'een van de betere correspondenten van die periode', maar hij spreekt er - terecht - zijn twijfels over uit of diens werk zou zijn blijven voortleven als hij naderhand niet een 'famous and distinguished' auteur was geworden. Knightley citeert een Canadese oorlogscorrespondent die, tientallen jaren later op eigen en andermans werk terugkijkend, zegt: “ Het was rotzooi - en ik sluit de Ernie Pyles of de Alan Mooreheads niet uit. (... ) Het was geen goede journalistiek. Het was helemaal geen journalistiek.” Maar regeringspropaganda.

Toch zijn het juist de oorlog en Mooreheads wederwaardigheden die veruit de meeste, bewonderende aandacht krijgen van Pocock. Tweehonderd van de driehonderd pagina's behandelen de eerste vijfendertig jaar van zijn leven, en daarvan gaan er zo'n honderdvijftig over de zes jaar van de oorlog; Mooreheads verdere leven, de achtendertig jaar waarin hij vijftien boeken schreef, wordt in honderd pagina's afgeraffeld. In Pococks aanpak heeft Alan Moorehead niet alleen een vlak, tweedimen-sionaal leven gehad, maar ook een buitengewoon onevenwichtig leven.

Nee, ik heb weliswaar ondanks deze kleinere bezwaren Alan Moorehead met plezier gelezen, maar ik weet zeker dat het onderwerp van de biografie er een aanmerkelijk beter boek van had gemaakt dan de schrijver ervan. In dat opzicht verhoudt Tom Pocock zich nog steeds tot Alan Moorehead als de negentienjarige leerling tot de vijfendertigjarige sterverslaggever, waarmee het verhaal begon. Dick van de Pol bezocht als journalist o.a. het Midden-Oosten en Australie.