Zwartluisteraar

In de dagen dat de radio nog een meubelstuk was, moest de luistervink luistergeld betalen. Heette iemand die dat niet deed toen een zwartluisteraar?

Jaren ben ik op dat woord gespitst geweest. Zwartkijken, zwartrijden, het zijn de gewoonste handelingen van de wereld, maar de woorden zwartluisteren en zwartlezen (over iemands schouder een krant meelezen) bestaan niet.

Het Woordenboek der Nederlandsche taal neemt geen woorden van na het jaar 1922, dus de zwartluisteraar zal ook de taalcontrole ontsnappen.

In een kranteartikel over de 50-jarige Dienst Omroepbijdragen trof mij dan ook diep de terloops opgeschreven volzin, die geen verband hield met de tekst ervoor of erna:

“Zwartluisteraars bestaan ook.”

Ik twijfel niet aan hun bestaan, nu een radio al in een hoofdband wordt ingebouwd. Mijn vraag is: maar bestaat het woord zwartluisteraar voor deze etherdieven?

U heeft het nu zes keer gelezen, maar als ik zes keer BRUSJES schrijf, dan bestaat dat woord daarmee toch ook nog niet? Ik dacht dat ik dat woord (voor zusjes en broertjes) had verzonnen, maar er blijken meer uitvinders te zijn, nu er een proefschrift over broer-zus verschenen is. Een woord is pas echt als het spontaan en zonder bijgedachte wordt gesproken. Ik hoor een Walkmanvrouw nog niet tegen een Walkmanman zeggen: “Luister jij ook zwart?” Zij beseffen niet dat luisteren geld kost.