Woordspelige beelden op plastic en papier

Tentoonstelling: The Drawings of Jasper Johns. Hayward Gallery Londen, t-m 3-2; Whitney Museum of Modern Art, New York 22-2 t-m 7- 4.

De een beent in tien minuten langs de ruim honderd tekeningen, de ander schuift heel langzaam van het ene stukje bekrast papier naar het andere. Zoals bij alle belangrijke kunst, is het alles of niets. De een ziet alleen zalen vol Amerikaanse vlaggen, cijfers, alfabetten, patronen en gekleurde schuine strepen, en nog zo wat dingen waarmee Jasper Johns de duurste nog levende kunstenaar ter wereld wist te worden; de ander ziet binnen iedere lijst een nieuw topje van de ijsberg van een oeuvre dat indrukwekkender en veelomvattender wordt naarmate je het vaker ziet. Geen andere kunstenaar heeft zo'n rijkdom weten te putten uit zo weinig, heeft zo weinig bedacht maar daar zo veel mee weten te doen.

De nu zestigjarige Jasper Johns is, op de voet gevolgd door Robert Rauschenberg, sinds begin jaren zestig Amerika's beroemdste pop-art-kunstenaar, want wie anders krijgt zo'n grote expositie met alleen maar tekeningen? Toch is het getoonde werk zo intensief en doorwerkt dat je na vijf minuten al vergeten bent dat hier alleen maar tekeningen te zien zijn.

De materialen zijn simpel: potlood, grafiet, houtskool, kleurpotlood en inkt, en in de jaren zeventig en tachtig een steeds vrijer gebruik van kleur en pastel, waterverf en gouache; meestal gemengd gebruikt, soms in combinatie met zeefdruk of objecten, of in collages. De formaten varieren van zeven bij vijf centimeter tot twee bij drie meter. De ondergrond is meestal papier, soms doorzichtig plastic. Misschien zijn ze ooit als schetsen of studies voor schilderijen opgezet, maar door Johns' experimenteerlust in materialen, ruimte en oppervlakte zijn ze zo doorwerkt geraakt dat ze, zeker in de grotere formaten, volledige 'schilderijen' zijn geworden.

Zijn onderwerpen zijn simpel en volgen de ontwikkeling in zijn schilderkunst: in 1954 begonnen met de Amerikaanse vlag, daarna de cijfers, het alfabet, de schietschijf. Omdat Johns nooit traditioneel heeft leren tekenen, kiest hij vooral dingen die hij neer kan leggen op doek of papier en dan na of over kan trekken. Als contour blijven ze altijd duidelijk herkenbaar: mode-loze, stijl-loze, tijd-loze, neutrale dingen. Een kleerhanger, een tandenborstel, sjabloneletters en -cijfers, vorken en messen, een schietschijf en de Amerikaanse vlag (immers ook volgens een simpel sjablone-procede van sterren en lijnen te construeren).

“Things the mind already knows”, zoals hij ze zelf omschreef. Deze zijn het strakke skelet van een werk waaromheen hij vrij en intuitief alle genietingen van het maken en kijken, van 'doen' en reflecteren, die altijd mysterieus samengaan, ontdekt. Hij laat zijn objecten afwisselend verdwijnen en duidelijk naar voren komen in vlekken, strepen en arceringen, in licht en donker. Hij speelt met materiaal en met de oppervlakte van het papier; zijn eerste vlag in korrelig pastelkrijt, verbrokkeld op een ondergrond van stukjes krantepapier waarin het rood in het wit uitvloeit, lijkt van suikergoed.

Elk belangrijk werk onthult iets nieuws over zijn werk dat in hindsight ook in het vroegere werk al kan worden gevonden. Alleen Johns, die al zo lang met spiegeling, spiegelbeeld en omkering werkt, ziet zo snel de mogelijkheden als tekenpapier van doorzichtig plastic, waar hij sinds eind jaren zeventig vaak op werkt. Soms hangt een nieuw element er een tijd lang wat onduidelijk bij, onafhankelijk van de rest van het werk, zoals de cross-hatchings, een ritmisch abstract patroon van gekleurde arceringen dicht tegen elkaar, dat eerst volkomen uit de lucht gegrepen lijkt maar langzaam een Johnsiaans voertuig wordt voor stemming, ruimtewerking en het in zijn latere werk steeds verder en duidelijker uitgewerkte illusionisme van de tekening-in-de-tekening.

Johns ontwikkelt zijn onderwerpen zoals een componist een melodisch thema, een choreograaf een ballet - met de musicus John Cage en de choreograaf Merce Cunningham is hij al een leven lang bevriend - of zoals een schrijver de verschillende karakters van een roman. Soms komen die karakters elkaar tegen, beinvloeden elkaar en de plot en gooien een heel nieuw licht op bekende dingen.

Painting with two balls uit 1960, waarvan hier verschillende versies hangen, is samengesteld uit twee schilderachtig bewerkte doeken, dicht tegen elkaar geschroefd met daartussen twee balletjes geklemd: het is een prachtig gebruik van canvas en spielatten en doek, maar ook, een allusie op de uitdrukking uit de macho-schilderstijl a painting with balls. In 1980 verschijnen op dezelfde manier als in 1960, maar dan geschilderd tussen het super-esthetische patroon van de cross-hatchings, twee zorgvuldig weergegeven, geschematiseerde testikels, dit keer afgeleid van een zeventiende-eeuwse tantra-schildering uit Nepal, waarin Johns een voorstelling vond van seksualiteit, leven en dood waarvan een detail leek op zijn vroegere 'beeld-spelingen'. In de Nepalese schildering komen ook de doodskoppen voor, die hij in 1973 al in schilderijen gebruikte.

Een compositie of een roman heeft een plot; de klanken en de gebeurtenissen spoeden zich naar een einde, een door de auteur geensceneerde ontknoping. In de schilderkunst is de plot de kunstenaar zelf. Het enige einde is diens dood. Johns' werk is een tijdloze cirkel van een voortdurend recyclen van onderwerpen en ontdekkingen, inclusief het Einde. In het werk van de laatste vijf jaar verwerkt en herhaalt hij steeds directer, en steeds meer tegelijk, vroegere thema's; nu vaak in een weefsel van tekeningen-in-tekeningen, afwisselend illusionistisch en vlak. Maar hij vindt ook sneller nieuwe onderwerpen, zoals de dood, die hij terugvond in de beddesprei in een van Edvar Munchs laatste schilderijen, Tussen het bed en de klok, dat Jasper Johns in de jaren tachtig lange tijd heeft geinspireerd.

    • Riki Simons