'Verstoorde rechtsorde' vecht terug

DEN HAAG, 4 jan. - “Ubi iudicia deficiunt incipit bellum”, zei de toenmalige minister van justitie Korthals Altes: waar vonnissen tekort schieten, begint de onvrede.

Hij sprak in september 1987 bij de opening van de nieuwe rechtbank in Assen en reageerde op een aantal recente incidenten waarbij verdachten van ernstige misdrijven moesten worden vrijgelaten als gevolg van vormfouten. Korthals Altes suggereerde voor het eerst dat een officier van justitie een herkansing moet krijgen wanneer als gevolg van een foutje zware jongens de kans krijgen de benen te nemen. “De verstoorde rechtsorde mag niet het kind van de rekening worden”, zei hij.

Wat Korthals Altes aanduidde met de rechtsorde, noemde zijn opvolger Hirsch Ballin gisteren “de gemeenschap” die “niet de dupe mag worden” van een vergissing van het openbaar ministerie. Vandaar zijn voorstel om officieren van justitie de mogelijkheid te geven om binnen dertig dagen fouten in de dagvaarding te kunnen corrigeren zonder dat de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De positie van het OM wordt ook versterkt doordat de officier van justitie de gelegenheid moet krijgen een verplicht DNA-onderzoek te gelasten bij verdachten van ernstige misdrijven.

Het voorstel van Korthals Altes om te beknibbelen op de rechten van de verdachte was drie jaar geleden nog een vloek in de kerk. In een open brief in het Nederlands Juristenblad raadde de Nijmeegse hoogleraar strafrecht G. J. M. Corstens de minister “een kalmeringskuur” aan. “De onvoldoende door het verstand gecorrigeerde emotie heeft hem parten gespeeld”.

Immers, aldus Corstens, de minister was van plan het gedrag van slordige officieren van justitie te belonen. En, formeel strafrecht is ook materieel. “Het formeel strafrecht is niet een verzameling van verkeersregels met nauwelijks intrinsieke waarde. Ze dragen bij tot een zorgvuldige toepassing van inbreuken op de vrijheidsrechten”.

Maar Korthals Altes en zijn opvolger hielden vol. Het huidige Wetboek van Strafvordering heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De daarin opgenomen juridische spelregels dateren uit een tijd dat er van equality of arms tussen openbaar ministerie en verdachte nog geen sprake was. Het OM en de politie genoten “onbetwist en onaantastbaar gezag”. Of, zoals de Amsterdamse officier van justitie mr. L. A. J. M. de Wit onlangs weemoedig verzuchtte, in die tijd was het nog heel gewoon dat advocaten drie keer buigend achterstevoren de rechtszaal verlieten.

Maar inmiddels verzekert een beetje verdachte zich van de steun van een gerenommeerd strafpleiter die desnoods zijn hele kantoor uiterst nauwlettend het werk van de toch al overbelaste magistraat laat beoordelen om bij elk foutje onverbiddelijk te kunnen toeslaan. “De attitude van de advocaat is veranderd”, mijmerde Korthals Altes.

Om de spelregels te stroomlijnen installeerde Korthals Altes in oktober 1988 een commissie onder voorzitterschap van de oud-president van de Hoge Raad mr. Ch. M. J. A. Moons met als opdracht voorstellen te ontwerpen voor “een herstel van evenwicht tussen rechtshandhaving en rechtsbescherming”. Belangrijke critici als Corstens en zijn Amsterdamse collega Schalken kregen wijselijk ook een plaatsje in de commissie.

Na eerder advies te hebben uitgebracht over de regels op het gebied van de inverzekeringstelling, verschenen gisteren twee rapporten. Het advies over het DNA-onderzoek is nog het gevolg van een verzoek van Korthals Altes. Het voorstel over herstel van vormfouten is een “spoedadvies” waar Hirsch Ballin in oktober van het vorig jaar om had gevraagd na vrijlating van een aantal verdachten wegens nietigheid van de dagvaarding.

In de nu door de minister meteen overgenomen voorstellen wordt de positie van het openbaar ministerie weliswaar versterkt maar de minister van justitie krijgt niet op alle punten zijn zin. Op een aantal voorstellen van de minister - zoals het plan om aan het niet in acht nemen van termijnen bij een verzoek om het verlengen van de voorlopige hechtenis minder drastische consequenties te verbinden - wil de commissie op zo korte termijn niet ingaan. Het gaat hier om zulke “principiele vragen” dat daar pas een antwoord op kan worden gegeven na een grondige bezinning “op de betekenis van vormvoorschriften”.

Met het voorstel over het herstel van de nietige dagvaarding heeft de commissie niet meer gedaan dan wat Schalken twee jaar geleden in Elsevier al noemde het kunnen corrigeren van typefouten. “Dat is van een heel andere orde dan het overboord zetten van wezenlijke waarborgen in het strafprocesrecht”.

Ook het voorstel van verplicht DNA-onderzoek moet volgens de commissie niet al te zeer worden gezien als een aantasting van de positie van de verdachte. Met een DNA-test is immers niet alleen een 'opsporingsbelang' maar ook een 'verdedigingsbelang' gemoeid. “De verdachte die onschuldig is zal met behulp van een DNA-onderzoek dit onomstotelijk kunnen laten vaststellen”.