Verboden de koelkast te openen

Normaal zijn er bijna alleen schilderijen en beelden te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Maar nu staat de hele nieuwe vleugel van het museum vol met auto's, koelkasten, cola- en fantaflessen, naaimachines en juke-boxen. Ook liggen achter glas sigarettenpakjes, wikkels van soepblikken en scheerapparaten. Allemaal heel gewone dingen dus, die je altijd op straat of bij je thuis kunt zien. Al die voorwerpen in het museum zijn ontworpen door Raymond Loewy, een Amerikaan die dat heel goed kon en er heel rijk mee is geworden. Vooral de door hem ontworpen drie auto's die nu in het museum staan zijn mooi. Het mooist is de Studebaker Commander uit 1950, een auto met prachtig ronde vormen en een 'kogelneus'-voorkant waardoor hij er heel snel uitziet. Alleen al voor die auto zou je naar het Stedelijk Museum moeten gaan.

Ik vind het altijd een raar idee dat alle dingen die we gebruiken door iemand zijn ontworpen. Verkeersborden, tandenborstels, washandjes, theekopjes, schoolschriften, pennen: van al die dingen heeft iemand op een dag vastgesteld hoe ze eruit moeten zien. Van een tandenborstel bij voorbeeld heeft iemand bedacht hoe lang, breed en dik de steel moet zijn, waar de haartjes moeten zitten, van welke soort plastic hij moet zijn en welke kleur hij moet krijgen. Bij een auto moet de ontwerper over nog veel meer een beslissing nemen. Het ontwerpen van al die gebruiksvoorwerpen is dan ook een vak apart, dat industriele vormgeving heet.

Sommige mensen vinden dat gebruiksvoorwerpen niet in een kunstmuseum thuishoren. Koelkasten en auto's zijn misschien wel mooi gemaakt, zeggen zij, maar het is geen echte kunst. Echte kunst, zoals schilderijen, zijn alleen maar mooi en verder niks, vinden ze. En koelkasten en auto's zijn in de eerste plaats nuttig en daarna pas mooi (of lelijk natuurlijk). Een beetje gelijk hebben die mensen wel. Maar aan de andere kant kun je zeggen: nu die koelkasten en auto's van Loewy niet meer worden gebruikt, zijn ze alleen nog maar mooi. Misschien zijn ze niet als kunst bedoeld, maar zijn ze dat nu wel geworden.

Toen ik de Loewy-tentoonstelling bezocht, deed een man de deur open van een van de koelkasten uit de jaren dertig. Misschien wilde hij kijken of het lampje het nog deed na al die tijd. In ieder geval kwam er meteen een bewaakster op hem afgestormd, die heel hard riep: “Niet aanraken!” De man was heel verbaasd. “Het is toch gewoon een koelkast, “ sputterde hij tegen. “Toch mag u er niet aankomen, “ hield de bewaakster vol. Zie je wel, dacht ik toen, hier in het Stedelijk Museum is de koelkast kunst geworden. Want kunst mag je nooit aanraken, daar moet je afblijven. Je mag er alleen naar kijken.