Sombere voorspellingen over oliebranden bij begin oorlog; Effect op milieu is onzeker

ROTTERDAM, 4 jan. - Een oorlog in de Golf zou niet goed zijn voor het milieu. Koning Hussein van Jordanie heeft daar als eerste op gewezen en ook woensdag kwamen deskundigen, bijeen op een symposium in Londen, tot die slotsom.

De massale oliebranden die bij een oorlog uitbreken hebben ernstige gevolgen voor weer en klimaat in de hele Golf-regio, was de voornaamste conclusie. Sommige aanwezigen dachten dat de oliebranden de temperatuur wel met twintig graden zouden doen stijgen, anderen dachten dat rookwolken en zonsverduistering de temperatuur juist met evenveel graden zouden doen dalen.

Ook de Nederlandse milieubeweging heeft er wel eens op gewezen dat een kernoorlog niet goed voor het milieu zou zijn. Het heeft iets wereldvreemds om op het moment dat duizenden dreigen hun leven te verliezen in een oorlog te noteren dat die oorlog ook ecologische bezwaren heeft. Nog pijnlijker wordt het als men daarbij tot uiterst aanvechtbare conclusies komt.

Het valt nog te bezien of er bij een oorlog in het Golf-gebied wel zulke geweldige oliebranden zullen ontstaan. De olie-installaties van Saoedi-Arabie (en staten die verder van Irak afliggen) zullen, praktisch gesproken, alleen met vliegtuigen en raketten kunnen worden aangevallen. De verdediging tegen raketaanvallen is moeilijk waterdicht te maken (de steun moet vooral komen van het Amerikaanse Patriot-luchtverdedigingssysteem dat zich nog niet onder oorlogsomstandigheden bewezen heeft), maar daar staat tegenover dat raketten tegen landdoelen gewoonlijk niet binnen een paar honder meter nauwkeurig neerkomen en dat ze maar een beperkte explosieve lading bezitten. Veel schade wordt er niet van verwacht.

Zeker zo belangrijk is dat olie-installaties redelijk tegen calamiteiten zijn beveiligd. Olieputten, pijpleidingen en terminals zijn rijkelijk voorzien van veiligheidskleppen die dicht gaan als plotseling de druk wegvalt. Dat verhindert een onbeperkte olielekkage. Raffinaderijen zijn kwetsbaarder.

In Koeweit bestaat een bijzonder situatie. Aangenomen wordt dat Irak veel van de olie-installaties daar van explosieven ('landmijnen') heeft voorzien. Als ook de beveiligingssystemen zijn uitgeschakeld dan zouden daarmee zeker zware branden kunnen worden gesticht. Aardolie staat in het Golfgebied (anders dan bij Schoonebeek) meestal onder hoge druk, en het is goed brandbaar.

Maar wat zou het effect zijn van massale langdurende oliebranden in Koeweit? Het Londense gezelschap kwam er niet uit en drong aan op nader onderzoek met uitgebreide computersteun, bij voorkeur voor 15 januari in een rapport samen te vatten. Voor de vuist weg filosofeerde men over effecten op luchttemperatuur, moessons, ozonlaag en broeikaseffect.

Meteoroloog drs. B. Zwart van het KNMI ziet het zo'n vaart niet lopen. Op zijn gunstigst blijft het effect, denkt hij, beperkt tot dat van zware uitgestrekte bosbranden, op zijn slechtst zal het doen denken aan de gevolgen van vulkaanuitbarstingen. Bij die laatste wordt, vooral als het explosieve vulkaanuitbarstingen betreft, makkelijk gas en vast materiaal tot boven twaalf kilometer hoogte in de stratosfeer gebracht waar ze inderdaad, zoals is aangetoond, het klimaat kunnen beinvloeden. De Mount St. Helens (1980) en de El Chichon (1982) bereikten de atmosfeer, evenals de Krakatau (1883) en de zwaarste bekende vulkaanuitbarsting, die van de Tambora in 1815. Op die laatste volgden zomertemperaturen op het noordelijk halfrond die 1 a 2 graden lager waren dan gemiddeld. Aangenomen wordt dat dat een gevolg van de uitbarsting was. De theorie voorspelt inderdaad een temperatuurdaling die overigens vooral aan gassen als zwaveldioxyde (SO2) is toe te schrijven. Uiteindelijk kunnen in de stratosfeer uit zwaveldioxyde, na oxydatie en binding met water, zwavelzuurdruppeltjes ontstaan die de zonnewarmte extra weerkaatsen.

Het is onwaarschijnklijk dat de rook van Koeweit tot in de stratosfeer komt. Hoogstens zou hij, denkt Zwart, de lokale ('subtropische') straalstroom kunnen bereiken die wat lager ligt dan bij West-Europa. Niet tien kilometer hoog maar acht. De stroom zal rook en rookgas in oostelijke richting afvoeren en aanleiding kunnen geven tot speciale halo's (de 'ring van Bishop') zoals dat ook het geval was na enorme bosbranden in Canada en het Yellowstonepark, enige jaren geleden.

De milieuramp die oliebranden teweeg zouden brengen, blijft misschien wel helemaal uit. Met des te meer gemak valt te beweren dat het conflict in de Golf nu al zijn belangrijkste ecologische schade heeft aangericht. Sinds half augustus rijden er in het woestijngebied van Koeweit en het noorden van Saoedi-Arabie duizenden tanks en andere rupsvoertuigen rond die alles vermorzelen wat er onder hun rupsen komt. Een groot deel van de meerjarige dwergstruikjes in het gebied, die toch al veel van overbegrazing te lijden hadden, zal inmiddels zijn vernietigd (De eenjarige gewassen, die vooral in de maanden januari, februari en maart tot groei en bloei komen, zijn, dankzij een rijke zaadzetting, minder kwetsbaar).

De geweldige hoop vuil die de legermacht in de woestijn brengt zal de oorspronkelijke levensgemeenschap verder aantasten. Daarbij komt de te verwachten grootschalige wateronttrekking aan de zeldzame waterplaatsen. En dan te bedenken dat Koeweit (volgens het OPEC Bulletin van april 1990) net besloten had een Nationaal Park van 300 vierkante kilometer in te richten omdat de woestijnvegetatie zo te lijden had van vee en recreatie.

Het wachten is nu nog op het symposium waarin aandacht wordt gevraagd voor het grote risico dat de talrijke cultuurmonumenten in het gebied van Eufraat en Tigris lopen. Wat dat betreft lijkt het vooral van belang dat de Verenigde Staten het 'Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict' van 14 mei 1954 hebben ondertekend. Maar ook Irak en Saoedi-Arabie zijn hier partij bij.

    • Karel Knip