Sociale partners reageren verdeeld; Kabinet bepleit Europese regels medezeggenschap

ROTTERDAM, 4 JAN. Het kabinet wil dat er Europese regels komen voor medezeggenschap van werknemers in multinationale ondernemingen. Dat blijkt uit de reactie op het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over de nota 'Sociale Dimensie Europa 1992' van het kabinet. Europese wetgeving is op dit gebied noodzakelijk om behalve economische ook sociale vooruitgang te boeken, vindt het kabinet.

De huidige regelingen voor medezeggenschap in ondernemingen lopen in de verschillende landen sterk uiteen. Nederland en Duitsland hebben in de Europese Gemeenschap de meest verregaande wetgeving op dit terrein. In de nota 'Sociale Dimensie Europa 1992' maakte het kabinet al kenbaar hier niet aan te willen tornen.

In Nederland is een bedrijf met meer dan 35 werknemers verplicht een ondernemingsraad in te stellen als vertegenwoordigend orgaan van werknemers. De OR mag advies geven en heeft instemmingsbevoegdheden. Een ondernemer mag over sociale kwesties als pensioenen, winstdelingen, werktijden en personeelsopleidingen geen besluiten nemen voordat de OR daarmee heeft ingestemd. Ook zijn bedrijven verplicht de OR minstens twee keer per jaar te informeren over de financiele gang van zaken in de onderneming en over meerjarenplannen voor investeringen in binnen- en buitenland.

Minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid, die de SER om advies had gevraagd, schrijft in zijn reactie namens het kabinet dat de EG-lidstaten Europese regels over medezeggenschap zelf moeten kunnen invullen. De reactie van De Vries sluit aan bij de opvatting van de Europese Commissie die Europese regels voor inspraak noodzakelijk vindt. De Commissie heeft hierover begin december een controversieel voorstel gedaan tot een richtlijn die multinationale ondernemingen verplicht een centrale Europese ondernemingsraad in te stellen.

Volgens de Commissie moet de zogenaamde Euro-OR worden ingelicht over alle belangrijke bedrijfsbeslissingen zoals vermindering van banen, invoering van nieuwe technologieen en organisatorische veranderingen. Vooral Engeland, dat nauwelijks wetgeving kent op het gebied van inspraak, is fel tegenstander van de voorgestelde richtlijn tot een Euro-OR.

De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) is positief over het standpunt van de regering. “Maar Europese regels moeten wel in alle lidstaten op dezelfde manier worden uitgevoerd”, zegt FNV-woordvoerder P. van Tongeren. “Anders krijgen Philips-werknemers in Milaan met andere regels te maken dan Philips-werknemers in Kopenhagen. Dan gaat Philips gloeilampen maken in bijvoorbeeld Porto, omdat daar de minste voorschriften gelden. Dat is nu juist niet de bedoeling.”

Het VNO (Verbond van Nederlandse Ondernemingen) vindt de minister vaag over medezeggenschap. “Als Europese wetgeving inhoudt dat er een nieuw orgaan geschapen wordt zoals een Euro-OR dan zijn we het daar helemaal niet mee eens”, aldus woordvoerder A. Huntjens van het VNO. De werkgeversorganisatie is van mening dat de ondernemingsraad op een zo laag mogelijk niveau moet functioneren. “Werknemers moeten worden geinformeerd daar waar ze werken, ter plekke in bedrijven of in vestigingen van bedrijven”, zegt Huntjens. Het VNO wil wel praten over Europese regels voor het verstrekken van informatie aan werknemers.

Het kabinet bepleit tevens dat de veiligheid van de arbeid in Europees verband wordt geregeld. Europese kwaliteitseisen voor produkten mogen niet leiden tot lagere normen voor veiligheid en gezondheid op het werk. Maar in tegenstelling tot een deel van de SER voelt minister De Vries niets voor de verplichting om in alle EG-landen een wettelijk minimumloon in te voeren. Evenmin is hij ervoor te vinden de lidstaten te verplichten tot een minimuminkomensgarantie die correspondeert met het niveau van de eigen nationale welvaart. Dit is door het Europees Parlement bepleit. Inkomensbeleid moet volgens de minister echter zoveel mogelijk nationaal worden vastgesteld.

    • Michèle de Waard