Rien ne va plus

“Nadat hij zijn laatste fiche had verspeeld, stak hij een sigaret aan, inhaleerde diep terwijl hij peinzend naar buiten liep. Nog een maal keek hij uit over de baai van zijn geliefd Monte Carlo, de spiegelgladde zee, de kralenreeks der verlichte patrijspoorten van de voor anker liggende jachten. Blauw staal glansde in zijn hand. Binnen hoorde de drom der spelers om de roulette plotseling een scherpe knal. Rien ne va plus, zei de croupier. Op het balcon lag Bill Drake. Een straaltje bloed trok traag een spoor over het smetteloos wit van zijn smokinghemd... “

Van proza als dit heb ik tussen m'n twaalfde en m'n zeventiende waarschijnlijk wel iedere week een boek gelezen. Geen televisie, de radio niet om aan te horen, huiswerk laten verslonzen, na Dolle Dinsdag een poosje de avondklok - 'spertijd' - en na elf november een beetje ondergedoken: wat had ik anders te doen behalve houtjes hakken? Nog wel meer, schiet me nu te binnen, maar het gaat me om wat er na vijfenveertig jaar van al die lectuur is overgebleven. Ik denk dat ik bijna alle Havanks heb gelezen. Het saldo daarvan in m'n geheugen bestaat behalve de namen - Carlier en Sylvere - uit 'de suizende banden van een zware Minerva op het natte asfalt van de Bretonse snelweg' en 'de metalen stem van doctor Quincaille'. De Minerva was het produkt van een Belgische autofabriek die al voor de oorlog ter ziele is gegaan. Toen ik na de oorlog voor het eerst in Frankrijk kwam en op een winkel in ijzeren pannen Quinquaillerie zag staan, ging me een licht op omtrent Havanks naamgeving. Zo had ik in ieder geval een Frans woord geleerd.

Wat blijft uit het nog redelijk onbelaste jongensgeheugen bewaard? In de krant las ik onlangs iets over Ivans, het pseudoniem van Jacob van Schevichaven van wie ik in de Hongerwinter het een en ander uit een naburige boekenkast had opgediept. Geoffrey Gill was de held van zijn mysteries. Niets stond me van deze speurneus bij. Ik ging naar een antikwaar. Hij had er een, No.2, Dennenbergserie, Het Haviksnest, zonder jaartal, drie gulden. In een hoekje van een stil cafe ging ik op zoek naar de verloren tijd, bleef na de eerste pagina steken in de enorme breedsprakerigheid, net als toen, en kreeg de schok der herkenning bij de aanblik van het lettertype. Daarin was ook een serie spook- en griezelverhalen gedrukt die me destijds de stuipen op het lijf hadden gejaagd. Ivans had me nog altijd niets te vertellen maar de letter was dank zij W. W. Jacobs, Bram Stoker en E. A. Poe tot schrikletter geworden.

De antikwaar had ook twee boekjes van F. R. Eckmar, Een linkerbeen gezocht en Ratten op de trap. In de Hongerwinter hadden mijn beste vriend en ik deze schrijver zeer bewonderd en ook veel moeten lachen om de manier waarop sommige personages zich uitdrukten. 'Voor z'n roodkoperen klarinet', zei bijvoorbeeld een politiefotograaf als hij zijn werk had gedaan. Dat ontdekte ik nu weer bij het doorbladeren en in het cafe rook ik opeens de gerstepap die we toen op een illegaal aangesloten straalkacheltje kookten. Een van Eckmars helden, zei mijn geheugen, moest Pussycat heten. Bleek Poesiat te zijn. Dan was er inspecteur Gregor Boyarski die vaak 'een zware Weduwe rolde', en ten slotte de ster van onze Hongerwinter, een francaisaise die altijd bij Boyarski op een hoekje vhet bureau zat, haar benen een beetje liet bungelen en Manon moest heten. Ik ging het na. Van het bureau en de benen klopte het, maar ze heet Yvonne Delpeche en werkt voor de Franse geheime dienst.

Over het schrijven van detectives bestaan ingewikkelde theorieen. Plot, held en schurk, bijfiguren, decor, het moet allemaal volgens de regels worden opgeschreven. Na de Bevrijding heb ik nog het een en ander van Simenon gelezen en van Mike Wallace die hier plotseling in de mode raakte, en van Joop van den Broek die in Geen parels voor Nadra voor Nederland het harde genre heeft beoefend. Daarna heb ik geen detective meer opengeslagen, tot vorige week. Ik zou geen plot meer kunnen navertellen. Overgebleven is de vage herinnering aan een stijl en sfeer waarvan ik hierboven een proeve heb gegeven, en de rest bestaat uit datgene wat voor een detective niet van wezenlijk belang is plus een aantal door wat voor oorzaak dan ook vervormde flarden. 't Is niet de bedoeling van de schrijvers geweest, maar de flarden zijn me dierbaar.

Het is uit de tijd dat je dacht dat trilogie triologie heette, zei iemand. Zo ongeveer.

    • H. J. A. Hofland