Poezie van Leonard Nolens; Knapengekrijs in de hitte

Leonard Nolens: Liefdes verklaringen. Uitg. Querido, 56 blz. Prijs fl. 22, 50.

Negenduizend jakhalzen zwemmen naar Boston: mooie mededeling in een gedicht van Lucebert. Honderd klokken van Londen doen Londen bonzen: idem, van Werumeus Buning. Wat te denken van deze: vijftienhonderd voorhuiden begraven in Marrakesj. Ook een mooie, te vinden in een recent gedicht van Leonard Nolens:

Besnijdenis

Op een verblinde binnenplaats in Marrakesj

Heb ik de islam gehoord, een klimmende bloedhoos

Van knapengekrijs, met een schaartje losgeknipt

Uit de doodstille middaghitte -

Vijftienhonderd voorhuiden, begraven

In de staalblauwe woestijn van de hemel.

Wat later droeg een vrouw de manbare leeftijd

Van haar zoon door mijn straat, in haar ogen blonk

De gezegende haat waarmee ze afscheid nam

Van haar getekend binnenste. Ze wiegde het als fruit

Voor zich uit, dit snikkende, bevende vruchtvlees

Was voedzaam en smakelijk eten voor de profeet.

Dit is een prachtig rauw gedicht, ook en vooral als nog niet duidelijk is wat er precies in beschreven wordt. Want ik zag wel even 1500 voorhuiden in de woestijn begraven worden - maar het gaat hier om de staalblauwe woestijn van de hemel, dus met de voorhuiden zullen wel de bijbehorende angstkreten van de besnedenen bedoeld zijn. En ik zag ook wel even een drukke binnenplaats - maar zijn die daar in Marrakesj zo groot dat er 1500 besnijdenisgerechtigden een plaatsje kunnen vinden? En ik zag ook even een vrouw die een mand met 1500 roze voorhuidjes wiegend door de straten droeg, als betrof het een fijne delicatesse - maar het is waarschijnlijker dat zij haar zoon in haar armen had. Maar hoe oud is haar zoon dan? Is hij nog een jongetje dat snikkend en bevend dit ritueel heeft ondergaan, of is hij nu een manbare zoon geworden van wie zij afscheid moet nemen? Is hij in het laatste geval niet te oud en te zwaar om nog door zijn moeder gewiegd te kunnen en willen worden? Je moet meer weten van de besnijdenisgebruiken in Marrakesj om te kunnen zeggen wat hier nu in werkelijkheid en in fantasie door de dichter gehoord en gezien is. Maar intussen heeft dit gedicht zijn werk al gedaan en zit menige mannelijke lezer al lang met zijn benen over elkaar geslagen.

Snijden

Er valt hier veel in te lezen, en veel ervan kan in verband gebracht worden met de rest van Nolens' werk. Een zekere geobsedeerdheid door snijden bijvoorbeeld, vooral het snijden in eigen vlees, en een zekere voorkeur voor bloed, koken en eten. Zekere neiging tot blasfemie, die zich overigens meestal richt op het christelijke geloof. Castratie-angst. Moedercomplex. Vadercomplex. Zo'n opsomming geeft al aan dat men er met een eenvoudig Freudiaans schema niet komt. Het meest Nolensiaanse aan dit gedicht is wel de vermenging op zoveel verschillende niveaus van zoveel verschillende tegenstrijdige gevoelens: besnijdenisvrees en culinaire interesse, moedervreugde en moederverdriet, jongetjesangst en jongemannentrots, huiver en toch ook een zekere humor.

Toch is dit gedicht in het werk van Nolens een betrekkelijk uitzonderlijk geval. Hij is niet vaak zo anekdotisch en nog minder vaak in een zo ver buitenland. Hij zoekt het meestal dichter bij huis en daar heeft hij het al druk genoeg mee, al was het alleen maar omdat hij zich zelden werkelijk ergens thuisvoelt. Nolens is een dichter die zichzelf iedere dag weer moet zien te overwinnen, die de dagen doorbrengt met “het denken, het herdenken, het heroverdenken van wat des mensen is”, in de hoop aan het eind van de dag iets gevonden te hebben: zichzelf, het liefst in de vorm van een gedicht, want voor weinig dichters heeft het dichten zo'n existentiele functie als voor Nolens. Hier volgt een treffend citaat, ook omdat het laat zien tot welke klagerige regels deze houding kan leiden wanneer het niet lukt:

Maar ik, ik ben een dichter.

En op mijn nederige stoel, met mijn ambachtelijke trots

Zoek ik een degelijke, propere en zwierige manier

Om hier, vandaag, in deze tijd, alsnog te overleven.

Dit zijn geen beste regels. Ter verdediging van de dichter moet ik erbij zeggen dat hij dat zelf ook wel weet en dat hij ze niet zonder reden opnam in de afdeling 'Melancholie' die voor dit lijden aan zichzelf en aan de wereld gereserveerd werd. Pathos uit noodzaak - en wie dat niet ziet is voor dit oeuvre verloren. In zekere zin wordt het de lezer onmogelijk gemaakt om zuinig wegend, als een echte criticus, door zijn bundels te wandelen, want Nolens eist volledige overgave of volledige veronachtzaming. “Dus lees me. Lees me helemaal of lees me niet” roept Nolens ons al in het eerste gedicht toe. Dat gedicht draagt de wat oubollige, maar aan duidelijkheid niets te wensen over latende titel 'Lectori salutem!'. En het opent met de regel “Ik heb je meegenomen naar dit doorgangshuis”, waaruit nog eens blijkt hoezeer Nolens van het gedicht en van de bundel probeert zijn huis te maken.

Alleen in zijn gedichten kan hij wonen, zou je denken, maar het gaat hier nadrukkelijk niet om een woon-, maar om een doorgangshuis, “huis waar men slechts tijdelijk verblijft”. Het is er druk, er klinken allerlei stemmen en er lopen allerlei mensen rond, zoals dat in doorgangshuizen wel vaker het geval is. En vaak is niet duidelijk wie er nu precies aan het woord is en tot wie nu precies het woord gericht wordt. In het eerste gedicht mag de lezer zich op grond van de titel aangesproken voelen, maar het heeft er ook veel van weg dat de dichter hier zijn vriendin toespreekt. Nolens speelt graag met de persoonlijke voornaamwoorden en dus graag met verschillende rollen. “Ook nu nog zijn wij soms verwisselbaar” zegt een overleden moeder tegen haar zoon. “Kijk ik in mijn ogen als jij bang mijn blik ontwijkt?” vraagt een vader aan zijn zoon. En in een gesprek met zijn geliefde moet de dichter vaststellen: “Ik ben alleen maar jij”. Louter spel is dit natuurlijk niet, dit osmotisch opgaan in de ander, want behalve plezier in het aannemen van vermommingen en het verlangen naar vereenzelviging spreekt er evenzeer vlucht voor de leegte uit, als het al niet de angst is voor de gedachte dat er in zijn verscheurde innerlijk twee of meer zielen huizen.

Grote gebaar

Dit maakt Nolens tot een dubbel interessante, want dubbelzinnige dichter. Zeker is hij een vertegenwoordiger van de ouderwetse pathetiek, een dichter van de brede regel en het grote gebaar, en zeker kan hij daarom persoonlijk en toegankelijk genoemd worden. Maar op andere plaatsen is hij ook een dichter die bijna mechanisch tegen zichzelf in gaat, die net zolang doordenkt tot hij in zijn eigen vlees begint te snijden dan wel zichzelf begint te verliezen in een ander. “Schrijven vooronderstelt - op de eerste plaats karakter”, noteerde hij al op 29 januari 1980 in zijn dagboek Stukken van mensen (1989), maar hij liet daar onmiddellijk op volgen: “onder karakter versta ik een gebrek aan karakter.” Want een dichter dient volgens hem 'de veelheid van meningen en smaken, standpunten en ideologieen, woordgebruiken en religies' onder ogen te blijven zien. Ziehier in een notedop de tweespalt in Nolens' werk: karakter en veelstemmigheid. En er valt dus wel iets voor te zeggen om hem niet alleen als een lyrische, persoonlijke dichter te beschouwen, maar ook als een onpersoonlijke constructeur - een moderne dubbelzinnigheid die ook in het werk van bijvoorbeeld Kouwenaar, Ouwens, Faverey en Kuijper te vinden is.

Het wonderlijke van Nolens' poezie is dat beide soorten gedichten in zijn bundels onbekommerd naast elkaar staan. Men vindt er eenvoudige liefdesbrieven naast ingewikkelde zichzelfwegcijferingen, larmoyante levensklachten naast verknoopte beeldspraken, of het nu in de lange liefdescrisiscyclus 'Liefdes verklaringen' is of in de kortere afdelingen 'Besnijdenis' en 'Melancholie' (en het korte, luchtige, onnolensiaanse 'Tussenspel' is dan de uitzondering op de regel). Nolens dicht niet om op een samenvatting, conclusie of waarheid uit te komen, maar om in de vorm van een gedicht even een gestalte aan te kunnen nemen. Dit zou verschrikkelijk bedacht, ultra-poeticaal en pathetisch kunnen klinken, als het niet zo was dat Nolens er telkens weer in slaagde zijn hoge inzet in brede, integere en welluidende gedichten waar te maken. Dit is geen 'literatuur', en trouwens ook niet 'het echte leven'; het is iets er tussen in, en dat is nu net het probleem:

Ik leef niet en ik ben niet dood, ik waak noch slaap, En in die derde wereld moet ik altijd wonen. Ik ben er als een vreemde kind aan huis, begaap De penningmeester van mijn voddenbak met dromen, De beheerder met mijn broodzak in zijn hoofd. Ik ben hun luis, hun muis, en leef niet, kan niet dood.

    • Jan Vollaard
    • Paul Luttikhuis