Nederlandse kledingindustrie somber ondanks goede afzet; Verschrikkelijk, iedereen moet een 501. Er is geen geld voor nog een broek

ROTTERDAM, 4 JAN. Na jaren van neergang en inkrimpingen gaat het de goede kant op met de confectie-industrie in Nederland. Dat blijkt althans uit een onderzoek naar de marktpositie van Nederlandse kledingbedrijven, dat de Vereniging van Confectie- en Tricotage-Ondernemingen (Fenecon) onlangs publiceerde.

Het rapport voorspelt een rooskleurige toekomst voor de eens zo getergde industrie. De verwachting is dat de verkoop van kleding in Nederland verder zal toenemen en dat de kledingindustrie de laatste tien jaar van deze eeuw een omzetgroei zal doormaken van in totaal ongeveer tien procent. Afgelopen jaar bedroeg de omzet bijna twee miljard gulden.

Een toename van het aantal 30- tot 50-jarigen en de groep werkende vrouwen zou de vraag naar kleding doen toenemen. Meer geld betekent ook meer kleding, is de redenering van de onderzoekers. Een andere oorzaak van het herstel is de uitbesteding van de produktie aan landen met lage loonkosten waardoor kleding goedkoper op de markt kan worden gebracht. De bedrijven die de fabricage van kleding niet uitbesteden aan lage-lonenlanden, maar de produktie in Nederland verzorgen, zijn op de vingers van een hand te tellen. Ten minste, als de illegale ateliers buiten beschouwing worden gelaten. De produktie van kleding wordt meer en meer verplaatst naar lage-lonenlanden. Oost-Europa, Noord-Afrika, het Verre Oosten en de Filippijnen zijn favoriet bij Nederlanders die kleding hier laten ontwerpen, de produktie naar het buitenland overbrengen en de kleding vervolgens in Nederland verkopen. Voor fabrikanten die hun broeken, blouses en jurken nog in Nederland maken, zijn de verwachtingen daarom een stuk somberder.

Het familiebedrijf Baarsma's Confectiefabriek (Bacofa) uit het Friese plaatsje Zwaagwesteinde is een van de laatst overgebleven kledingfabrikanten in Nederland. Er werken ruim honderd mensen. Zij maken de zogenoemde BC broeken, in een drukke week wel vijftienduizend stuks. Katoenen en rib, maar de hoofdmoot van de produktie wordt gevormd door spijkerbroeken.

De geschiedenis van Bacofa gaat terug tot 1903 toen een voorvader van de huidige Baarsma's een vergunning kreeg voor het venten met een hondekar in Zwaagwesteinde en omstreken. Het Friese dorp aan de spoorlijn tussen Groningen en Leeuwarden is vanouds een ventersdorp. Baarsma liet het venten allengs meer voor wat het was en legde zich toe op de verkoop van textiel aan venters. Voornamelijk werk-en nachtkleding. Daarmee begon wat later een van de modernste kledingfabrieken van Europa zou worden.

Baarsma's bedrijf groeide gestaag, de omzet en het aantal werknemers gingen geleidelijk omhoog en generaties volgden elkaar op. Het bedrijfje kreeg de naam Bacofa dat later als handelsnaam 'BC fashion' kreeg, “want Bacofa klinkt niet voor de telefoon”, verklaart directeur R. P. Baarsma. Vlak na de oorlog was het Bacofa dat de eerste spijkerbroek van Nederland maakte. “Een zwarte, met duimstokzak”, herinnert de directeur zich.

In de jaren zeventig kreeg de Nederlandse textiel- en kledingindustrie te maken met een ernstige recessie door de opkomst van goedkope import uit het Verre Oosten. Bijna honderdduizend arbeidsplaatsen verdwenen. “De schuld van de Nederlandse overheid”, vindt B. M. Baarsma, zoon van directeur R. P. en uiteraard ook werkzaam in het bedrijf. “Sociale zekerheid, minimumloon, allemaal prachtig, maar een fabrikant moet hogere kosten doorberekenen in de prijs. Als je de grenzen dan wijd open zet voor goedkoop in het buitenland geproduceerde kleding, leg je de bijl in de nek van de eigen industrie. Wat dat betreft zijn wij optimaal voorbereid op 1992, want Nederland had altijd al open grenzen.”

Ondanks de afwezige bescherming heeft Bacofa de produktie niet naar het goedkopere buitenland verplaatst, zoals vele andere textielfabrikanten in de jaren zeventig wel deden. Daarvoor zitten de wortels van het bijna tachtig jaar oude familiebedrijf te vast in de Friese bodem. De Baarsma's wilden de traditie behouden en bleven in Zaagwesteinde hun broeken produceren.

Door de hogere loonkosten in Nederland is de BC broek duurder dan een uit Azie of Turkije. Daarom moest de BC broek iets extra's krijgen dat het prijsverschil rechtvaardigde. Bocafa zocht dit in een goede kwaliteit stof, een prima pasvorm en een grote flexibiliteit in de produktie.

Er werden twee stylisten aangetrokken en er werd fors geinvesteerd in computergestuurde naai- en snijapparatuur. Volledige robotisering werd afgewezen omdat dan slechts een soort broek gemaakt kan worden. En flexibiliteit moest juist een van Bacofa's sterke punten worden. Vandaag een wijde broek, morgen een strakke. Zo steeg de omzet van het bedrijf gestaag na een lichte daling halverwege de jaren zeventig. Flexibiliteit en kwaliteit werden de redding van de Friese broekenfabriek.

Terwijl het vorig jaar in de Nederlandse kledingindustrie wat beter ging, verwacht Baarsma een dalende omzet. De consument is volgens Baarsma niet in de stemming kleren te kopen. “Mensen kopen kleren als ze zin in winkelen hebben. De Golfcrisis, het 'zwaar weer' van Kok en de ontslagen bij Philips zorgen voor een sombere stemming.” Als er dan een broek gekocht wordt, is het vaak een Levi's, conform de huidige rage. “Het is verschrikkelijk”, verzucht B. M. Baarsma, “iedereen moet een 501 ( het meest gewilde jeanstype, red.). Zo'n broek kost ongeveer honderdvijftig gulden, dan is er geen geld voor nog een kwaliteitsbroek, ook al zijn we enkele tientjes goedkoper dan Levi's.”

Bacofa is zich daarom gaan richten op de consument van boven de twintig, een groep die minder waarde zou hechten aan een broek als statussymbool en ook gevoeliger zou zijn voor kwaliteit. De pasvorm van een BC broek wordt vooral door vrouwen gewaardeerd. “Vrouwen zijn ronder gebouwd. Voor hen luistert een goede pasvorm nauwer”, aldus Baarsma.

Behalve de sombere stemming en de Levi's-rage zijn er nog de illegale ateliers die zorgen voor een omzetdaling bij Bacofa. De ateliers, “het gekleurde circuit”, zoals directeur Baarsma het noemt, kunnen goedkoper produceren omdat ze geen sociale voorzieningen en belastingen afdragen. “Ze zitten voornamelijk in de Amsterdamse onderwereld”, weet Baarsma. “We zijn wel eens door een Achmed gebeld die vroeg of we nog wat produktie nodig hadden. Dan weet je wel hoe laat het is. Het zijn zeker grote concurrenten. Als C en A vlak voor de feestdagen nog wat nodig heeft, gaan ze naar Amsterdam, want die jongens werken desnoods in de weekeinden door. Voor hetzelfde loon.”

De verwachtingen voor kledingfabrikanten in Nederland zien er somber uit. Baarsma zegt geen idee te hebben hoe zijn bedrijf de komende jaren doorkomt. Nog meer investeringen zijn niet te verwachten. “We hebben de modernste apparatuur die er is, er valt niets beters te krijgen. Bovendien zijn we een flexibel bedrijf. We kijken niet naar de lange termijn. Het kan zijn dat we morgen een broek maken die enorm aanslaat, maar voorspellen is bij ons koffiedik kijken. We zien het wel.”