Montere verhalen van P. F. Thomese; Zelfs een slager kan er geen wijs uit worden

P. F. Thomese: Zuidland. Uitg. Querido, 136 blz. Prijs fl. 27, 90.

Jan en Annie Romein laten er in hun Erflaters van onze beschaving geen twijfel over bestaan dat wij onze beschaving niet in de eerste plaats te danken hebben aan de achttiende eeuw. Het moet hun moeite hebben gekost om niet teveel medelijden te laten doorklinken in de beschrijving van deze periode, waarin nogal veel tweederangsfiguren optraden. Na de zo succesvolle en daadkrachtige Gouden Eeuw zagen de kooplieden en regenten die grote sommen geld erfden, weinig aanleiding om zich met zakendoen en fortuin maken te vermoeien. Ze hadden het te goed, kun je zeggen, en daardoor was er alle gelegenheid om na te denken over leven en dood en over zichzelf. Volgens het echtpaar Romein was dat geen gevolg van ijdelheid, maar eerder van het tegenovergestelde, van 'een zekere schuchterheid, noem het weemoed of weekheid die typerend is voor de achttiende eeuw.'

P. F. Thomese bracht dit weke tijdperk opnieuw tot leven in zijn debuut Zuidland en er is maar een conclusie mogelijk: ze worden er niet erg gelukkig van, van al dat nietsdoen en gepieker. De levens die hij met veel inlevingsvermogen beschrijft, van tweede- en derderangsfiguren uit onze vaderlandse geschiedenis, komen misschien daarom wel zo sympathiek over, omdat ze een beetje lijken op die van onze naoorlogse generaties, die het volgens velen ook te goed hebben.

Arrogant zijn ze inderdaad niet, de personages van Thomese. Ze zijn zich pijnlijk bewust van het nutteloze en het overbodige van hun leven. In het titelverhaal is er een vader die zo graag, in het voetspoor van Abel Tasman, het 'Zuidland' nader zou exploreren. Maar omdat hij er al te oud voor is, dringt hij zijn ideaal op aan zijn zoon, die helaas iedere ambitie mist om ontdekkingen te doen. Al op jeugdige leeftijd weet hij zich gedoemd tot de hel die zee heet. Daarom stelt hij zijn vertrouwen in God. “Zijn enige hoop was dat God hem spoedig tot zich zou roepen, want dode jongens werden als engelen met bazuinen opgenomen in de Hemelse Heerscharen. Hij droomde van een gouden trompet.” Maar God laat hem aan zijn lot over, zodat hij veel later, na zijn vaders dood, alsnog op ontdekkingsreis gaat, in het klare besef dat deze reis geen enkele zin zal hebben.

Als een daad van eenvoudige rechtvaardigheid hoeft het niet opgevat te worden dat Thomese een paar van die vergeten figuren uit de geschiedenisboeken heeft opgedolven, al is het opmerkelijk dat een debutant zo ver terugblikt. Hij toont zijn personages niet van hun meest voordelige kant. De hertog van Ripperda bij voorbeeld, in zijn beste jaren adviseur van Filips V in Segovia, verschijnt ons in 'Boven aarde' op zijn sterfbed, met zijn al naar bederf riekende, doorgelegen lichaam en zijn mond waaruit een graflucht opstijgt. Zijn voorbije leven is een onduidelijke wirwar van onbevestigde verhalen en rondgebazuinde geruchten, waaruit hijzelf ook allang geen wijs meer weet. Van zijn lijfarts Foucart valt in diens 'naleven' al evenmin nog iets groots te verwachten. Ooit had hij de illusie om het vraagstuk van de dood op te lossen, maar zijn anatomische onderzoekingen voerde hij op een zodanige manier uit dat 'zelfs een slager geen wijs meer had gekund uit de toegetakelde hondekadavers, paardekrengen en aangevreten lijken van het galgenveld'. Geen wonder dus dat zijn traktaat over de dood geen wijde verspreiding vond en dat zijn bespiegelingen hem achteraf als volstrekt nutteloos voorkomen.

Haspelaars

Thomese heeft precies die luchtige en montere stijl die bij zoveel tragiek en vergeefsheid past. Daarbij beschikt hij over een subtiel gevoel voor humor, dat zijn verhaalfiguren in hun waarde laat, maar wel aan hun levenslot het al te zware gewicht ontneemt. Al is zijn taal aanmerkelijk soberder en veel minder virtuoos dan die van Brakman, toch valt een zekere verwantschap op. Net als Brakman heeft hij oog voor bizarre details en oor voor mooie woordgroepen als 'nijvere overdaad', 'waggelende haspelaars' of 'een ontredderd buurschap'.

Het bijzondere van Zuidland is ook dat de drie verhalen, bij alle onderlinge verschillen, nogal op elkaar lijken. Zo is het ene verhaal, 'Leviathan', dat zich rond 1570 afspeelt in het Noordhollandse duingebied, al evenzeer doortrokken van een weekhartige, achttiende-eeuwse atmosfeer van lethargie en besluiteloosheid. Een van de hoofdpersonen is Jan van der Does, heer van Noordwijk, iets beter bekend misschien als de dichter Janus Dousa. Van deze Dousa laat Thomese onvermeld dat hij als commandant betrokken is geweest bij het Ontzet van Leiden in 1572, maar hij meet wel breed uit hoe hulpeloos en inadequaat hij reageert op een watersnoodramp in Noordwijk en hoe erg hij het vindt om bij het aardse gebeuzel van de dakloos geworden vissers betrokken te worden. “Dousa verbaasde zich erover dat die mensen - die niet konden lezen of schrijven en die dus gelijk gesteld moesten worden aan het paard waar hij op zat, en minder dan dat misschien, aangezien je op een paard ten minste nog kon rijden - zomaar in zijn leven konden binnendringen, alsof zijn geest een herberg was waar men met zijn modderpoten zo naar binnen banjerde.”

In alle drie verhalen speelt de zee een rol als brute en onbeheersbare, aardse macht. Daarnaast figureert in elk verhaal een monnik van een onduidelijke orde, en gestoken in een groezelig tenue. Hij heeft wel een geur van heiligheid om zich heen, maar aan zijn deugdzaamheid mag ernstig worden getwijfeld. De monnik symboliseert, vermoed ik, een behoefte aan het hogere, aan een leidend beginsel dat zin en richting aan het leven moet geven, maar zijn onappetijtelijke en onbetrouwbare uitstraling is een reden temeer om te twijfelen aan de bestaanbaarheid van zo'n beginsel.

De personages van Thomese lijden aan het leven, dat altijd maar weer aanleiding geeft tot schaamte en ongemak. Een grotesk voorbeeld daarvan is de walvis die in 'Leviathan' op het strand aanspoelt. Het kolossale beest, dat door angstige gelovigen meteen 'herkend' wordt als de door God gezonden Leviathan, zet aan tot religieuze, wetenschappelijke, mythologische en bureaucratische overpeinzingen, maar niemand heeft er een idee van wat er met de stinkende vleesmassa moet gebeuren. Deze walvis maakt met zijn lompe gestalte nog eens duidelijk dat het diepste verlangen van een weekhartige, zeg maar romantische natuur het verlangen is om er niet te zijn. Of iets anders geformuleerd: 'Hij had een verlangen dat zich uitstrekte naar iedereen en overal, met een voorkeur voor ginds en elders'.