Maderna 4

Een muziekcriticus die openlijk van muziek houdt, dat zie je bijna niet meer. Hans Reichenfeld was zo iemand. De warmte en muziekliefde die hij uitstraalde had hij meegenomen uit Wenen, waar hij zijn leven en zijn loopbaan (aanvankelijk als componist) was begonnen. Het bijzondere aan hem was dat hij de moed had zichzelf te zijn in de koude, cerebrale polders van ons deel van de wereld.

Op zijn begrafenis in april 1983 had ik de dubbele pech mee te rijden in een auto waarin ook de criticus Hans Heg bleek te zitten. Blijkbaar nogal opgepept door de dood van zijn collega begon hij mij aan de tand te voelen over Bruno Maderna. Sinds Houdini (1977) had ik al het land aan deze boterbabbelaar en dat ik hem al eens voor scharrelkip had uitgemaakt scheen voor hem geen beletsel te vormen. Voor mij wel, ik had geen zin in het gesprek, zeker niet onder die omstandigheden, maar meneer bleef aandringen. Ik probeerde van hem af te komen door in strijd met de waarheid te mompelen dat ik over Maderna weinig te melden had. Dat had ik beter niet kunnen doen. Heg had zich bij de televisie omhooggescharreld en mocht een documentaire over Maderna maken, die toen tien jaar dood was. Daarin suggereerde hij dat ik Maderna voor carrieredoelen misbruikt had. Toen het ons niet gelukt was hem bij het Concertgebouworkest benoemd te krijgen hadden wij hem als een baksteen laten vallen. De waarheid is anders.

In 1965 leerde ik Bruno in Florence kennen, waar hij toen dirigeerde. Het Holland Festival had mij daarheen gestuurd om hem te vragen de premiere van mijn opera Labyrint te dirigeren. Net als iedereen viel ook ik als een blok voor zijn muzikaliteit, voor z'n warmte en z'n morsige levenswandel. In het provojaar 1966 leidde hij de muzikale strijdkrachten als een generaal door de tumultueuze uitvoeringen van het Labyrint in Carre.

Een jaar later stelden de Notenkrakers aan het Concertgebouworkest voor om naast Haitink Maderna te benoemen voor de nieuwe muziek. (Onredelijk was dat niet; in de kwart eeuw dat Haitink aan het orkest verbonden bleef heeft hij van mij bij voorbeeld maar een werk gedirigeerd.) Maar het orkestbestuur viel over onze slechte manieren en over Bruno's provo-achtige levenswandel en het bleef ons met regententrucjes sarren tot het uiterste. De hoogoplopende spanning ontlaadde zich ten slotte in 1969, in de roemruchte Notenkrakersactie in het Gebouw.

Intussen was onze verhouding met Bruno inderdaad enigszins bekoeld. In 1968, het jaar van les evenements, was in Berlijn tijdens een demonstratie tegen de Sjah de student Benno Ohnesorg door de politie doodgeschoten. Dat Maderna desondanks meewerkte aan het gigantische jetsetfeestje dat de Sjah ter ere van zijn Gestapo-regime in Teheran organiseerde, konden wij moeilijk begrijpen. (Van Khomeiny had nog niemand gehoord). Eens te meer bleek de politiek een verwoestende uitwerking op een artistieke vriendschap te kunnen hebben - hoe oud moet men worden om het zover niet te laten komen? Natuurlijk, Bruno was een heilige voor ons en je praatte er niet over, maar toch.

Daar kwam, althans wat mij betreft, nog bij dat zijn composities eigenlijk steeds minder overtuigend waren, terwijl ook het serialisme op z'n laatste benen liep. Onlangs was er in de Stopera een hele avond met zijn werk, onder andere de opera Satyricon. Het was deprimerend om te ervaren hoe doods de noten na twintig jaar klonken, hoe gedateerd. Ik kreeg last van het DDR-gevoel. Maar het is niet anders. Ook bij Sotheby's kelderen de prijzen voor de avant-gardekunst uit die jaren. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. Maar Bruno was een heilige.