In een lachende wereld; De typografie van de Tsjechische avant-garde

Tentoonstelling: Tschechische Avantgarde 1922-1940. In: Museum Bochum, Bochum. Tot en met 27 januari. Prijs catalogus fl. 75, -

De Tsjechische avant-garde van het interbellum is in het westen nog vrij onbekend. Op een tentoonstelling in Bochum van vierhonderd boekomslagen blijkt nu hoe vitaal en hartstochtelijk het Tsjechische aandeel in de Europese avant-garde was. “Het alfabet van fotomontages werkt zo aanstekelijk dat het de bezoekers tot lachwekkende danspasjes verleidt.”

De platte wandvitrines met hun kruisverdeling in het Museum Bochum moeten, blijkens de toelichting, worden opgevat als vensters. Ze bieden, op tweeeneenhalf uur afstand van Amsterdam, uitzicht op het bij ons nagenoeg onbekende panorama van de Tsjechische avant-garde van het interbellum. Zdenek Primus, de samensteller van de tentoonstelling, tevens auteur van de catalogus en eigenaar van de collectie, concentreerde zich op een aspect: boekomslagen. Uit zijn verzameling, in de loop der jaren bijeengesprokkeld met behulp van een netwerk van antiquariaten, koos hij de vierhonderd meest interessante voorbeelden.

Het is een onthutsende aanblik van enkele ongerijmdheden - een constructivistische Baudelaire - en herkenningspunten: de beeldtaal van Malevitsj, de foto-omslagen van Piet Zwart, de montages van Man Ray, de collages van Max Ernst, de beeldgedichten van Delaunay. Maar die herkenning houdt op bij de signaturen onder die werkstukken, opeenhopingen van medeklinkers en diacritische tekens.

Dat het Tsjechische aandeel van de Europese avant-garde zo hartstochtelijk, vitaal en actueel kon worden als hier zichtbaar is gemaakt, schrijft Primus toe aan de invloed van Devetsil, het in 1920 in Praag opgerichte verbond voor aankomende schilders, architecten, kunsthistorici en schrijvers, ieder van hen zo jong als de eeuw.

Aangevuurd door twee van de meest welbespraakte en drammerige oprichters, de dichter Vitezslav Nezval (1900) en Karel Teige (1900, zoon van de stadsarchivaris van Praag, gewezen schilder, ideoloog, architect-op-papier, vertaler uit het Frans, auteur, kunstcriticus, redacteur van architectuur- en kunsttijdschriften en gastdocent aan het Bauhaus op uitnodiging van Hannes Meyer) verkondigden zij in 1923 het poetisme, een op het constructivisme gebaseerde richting in de kunst die door mensen met een blinde vlek voor afschuwelijke woorden het enige 'isme' van Tsjechische bodem wordt genoemd.

Het poetisme laafde zich aan alles wat in de Sovjet-Unie plaatsgreep. Het bracht een onvoorwaardelijk vertrouwen in de marxistische leer met zich mee en pleidooien voor proletarische kunst, serieproduktie, standaardisatie, anti-academisme, anti-decorativisme en beschavingsarbeid voor de massa. Maar de kern van dit bombastische programma was zo licht als een veertje. Teige omschrijft de kunst van het poetisme als een 'geschenk of spel, zonder verplichtingen, zonder consequenties', 'uitgelaten, fantastisch, speels, onheroisch, erotisch'. Poetisme is het typische optimistische produkt van de jonge Tsjechische republiek, geboren in een atmosfeer van - aldus Teige - voorjaar en vriendschap, 'in een wereld die lacht'.

In dit 'proletarisch' wereldbeeld stak het unieke kunstwerk bleekjes af bij de lach van Charlie Chaplin die eigentijds was en in alle uithoeken van de aardbol te zien. Teige, die zich altijd wat scherp opstelde, erkende met tegenzin het recht van schilderijen op een eigen plekje in een galerie. Zelf verwijderde hij ze uit zijn huis: hij vond dat hij als particulier moest kunnen volstaan met reprodukties in boeken. Jaroslav Seifert, de Devetsil-dichter die enige jaren geleden de Nobelprijs kreeg, merkt in zijn memoires op dat bij Teige thuis, toen deze ook het gordijn had afgeschaft, de enige opsmuk van het interieur ten slotte bestond uit een ventilatorbuis, rood geverfd ter onderstreping van haar voortreffelijke doelmatigheid.

Onder het motto 'De nieuwe kunst houdt op kunst te zijn' (Ilja Ehrenburg) en tot schrik van de gevestigde typografische orde wierpen de Devetsil-kunstenaars zich vol bravoure op de boekverzorging als een adequate uiting van de nieuwe taakopvatting. En zij hielden deze boekproduktie vol, ook nadat zij in 1931 het poetisme officieel hadden ingeruild voor een Praags surrealisme.

Wulps

Op de tentoonstelling ligt het accent op een aantal 'boekverzorgers', voornamelijk uit de gelederen van Devetsil: Otakar, Mrkvicka, Vit, Obrtel, Zdenek Rossmann, het buitenbeentje Josef Sima, Jindrich Styrsky en Toyen (pseudoniem voor Marie Cerminova, de enige vrouw in dit gezelschap en verwoed draagster van mannenkleding), Ladislav Sutnar (geen lid van Devetsil en de enige professionele ontwerper, tevens de enige in het westen bekende naam door zijn emigratie in 1939 naar Amerika) en vooral Teige zelf. Heel herkenbaar, in weerwil van de beleden standaardisatie-idealen, zijn de cynische, soms zelfs brute fotomontages van de samenwerkende schilders Toyen en Styrsky: een in kant gekleed lijk in onplezierige staat (omslag voor Requiem), een stel wulpse vrouwenbenen eindigend in een vette ham (voor Balans van de Psychoanalyse). Dat is nog eens andere taal dan Piet Zwarts foto's voor 'het misdeelde kind'.

Een hoogtepunt van de 'lachende' boekverzorging door Devetsil is Nezvals Alfabet (1926), een bibliofiele uitgave op prentenboekformaat. Elke letter werd gedanst door de modernistische danseres Milca Mayerova en door Nezval in vrij-associatieve poezie omgezet (zo luidt zijn g, vrij vertaald: 'neem me niet kwalijk dat mij bij deze g het behendige lassospel van de cowboys te binnen schiet - op het land loeit de kudde buffels uit wier vlees mijn Steak Argentina van de grill'). Op basis van de foto's van Karel Paspa maakte Teige een alfabet van montages dat nog steeds zo aanstekelijk is dat het in Bochum, waar het alle ruimte krijgt, bezoekers tot lachwekkende danspasjes verleidt.

De reikwijdte van deze avantgardistische 'beschavingsarbeid' moet overigens niet overschat worden. Toegegeven, het boek is een massaprodukt, maar uit de tentoonstelling blijkt dat de avantgardisten zich eigenlijk beperkten tot de boeken uit eigen kring, vertaald, geschreven of bewonderd door de ontwerpers en hun naaste vrienden: Vitezslav Nezval, Jaroslav Seifert, Konstantin Biebl, Karel Teige, Ilja Ehrenburg, Guillaume Apollinaire en na de surrealistische omwenteling ook Andre Breton en Paul Eluard.

Absolute loyaliteit aan Moskou was steeds een voorwaarde geweest voor het functioneren van de kunstenaarsgroep, en in de loop der jaren, vooral vanaf 1929, leverde dat spanningen op. Uiteindelijk zou het, in 1938, zelfs de splijtzwam vormen. Primus houdt zich bij de beschrijving van deze fatale frictie wat op de vlakte: “Al in mei 1938 kwam het tot een crisis in de Surrealistische Groep. De onverwachte slag kwam uit de eigen gelederen - van Vitezslav Nezval, hoewel de groep niet meteen ophield te bestaan, zoals deze voormalige oprichter had gewild”. De volgende klap kwam enkele maanden later, toen na het Verdrag van Munchen een deel van Tsjechoslowakije werd bezet door Nazi-Duitsland en de modernisten zich ondergronds moesten gaan ontplooien. Met het uitbreken van de oorlog eindigt Primus' overzicht.

Als op zijn tentoonstelling en catalogus al kritiek geuit mag worden - want beiden zijn binnen de gekozen invalshoek zo informatief en verrassend als men maar kan wensen - dan betreft het wel zijn enigszins rigide, kunsthistorische afbakeningen. Geen woord over de Praagse uitgevers die deze driftkoppen zonder grafische kennis van zaken de vrije hand lieten, over de strekking van de teksten, over de typografie van het binnenwerk dat ronduit achterlijk afsteekt bij die vlotte kaftjes of over de fotografen die het materiaal voor de montages leverden. Alles wat naar 'petite histoire' zweemt bande hij uit zijn betoog en aan een interpretatie van de netelige politieke achtergronden waagde hij zich niet. Dat laatste verklaart dan ook het mistige einde van zijn betoog.

De epiloog die in dit boek ontbreekt, zou hebben kunnen aangeven hoe het de oud-leden van Devetsil en de Surrealistische Groep verder verging: hoe Styrsky in 1942 in Praag aan drankzucht ten onder ging, hoe Toyen op respectabele leeftijd in 1980 in Parijs overleed, hoe op 1 oktober 1951 Teige, vijftig jaar oud, op een vluchtheuvel op het Arbesplein in Praag werd getroffen door een dodelijke hartinfarct en hoe, ten slotte, Nezval twee jaar later tot Staatskunstenaar werd uitgeroepen.

In het lot van de twee hoofdrolspelers van het eerste uur, Teige en Nezval, lijkt zich het wel en wee van het Tsjechisch modernisme te weerspiegelen. Teige had zich met zijn verdediging in 1938 van het surrealisme (Surrealisme tegen de stroom) onmogelijk gemaakt bij de communistische partij, Nezval had zonder aarzelen gekozen voor de harde Moskoulijn en op agressieve wijze gebroken met de surrealisten. Het stalinisme bevestigde hem in zijn keuze. Voor mensen als Teige hield de naoorlogse wereld, waarin alle internationaal georienteerde modernistische stromingen in de kunst officieel waren afgeschaft en het uitgeversbestand werd gedecimeerd en onder overheidscontrole gesteld, gaandeweg op te lachen.

Laster

Tsjechoslowakije werd hermetisch dichtgeplakt met propaganda:

“Wij hebben papier nodig. We weten allemaal dat oud papier een waardevolle grondstof is voor nieuw papier. Niettemin stapelen zelfs de mensen die dit weten hopen oud papier op in hun huizen. Zulk papier ligt daar maar en schittert ons zelfs in de vorm van boeken tegemoet vanaf de boekenplanken. Met uitzondering van een handjevol klassieken is er erg weinig uit het voorbije bourgeois-tijdperk dat de moeite is bewaard te worden. Wat hebben die decadente romans de werkelijkheidslievende lezer van vandaag nog te vertellen? (... ) Gooi die onzin waarvoor u zich moest schamen toch uw bibliotheek uit! (... ) Deze zal kleiner worden, maar winnen in kwaliteit. Bovendien kunt u daardoor een armvol papier bijdragen aan de ontwikkeling van onze nieuwe progressieve literatuur”. (Wereld van de Arbeid, maart 1952).

Teige bleef zichzelf altijd beschouwen als de enige, de ware en de beste marxist, maar voor deze visie kreeg hij van communistische zijde geen bevestiging. In de jaren 1950-1951, op een hoogtepunt van het stalinisme, werd hij het slachtoffer van een potsierlijke maar effectieve lastercampagne, waaraan ook zijn oude vriend Nezval zijn steentje bijdroeg. Teige's kosmopolitisme werd in de pers uitgemaakt voor kapitalistische strijkages, zijn surrealisme voor een apologie van de pornografie, zijn politieke houding voor trotskisme. De staatsideoloog Ladislav Stoll verweet hem openlijk een totaal onvermogen tot 'die oprechte, onschuldige, menselijke vrolijkheid die men humor noemt'.

Teige's overlijden in 1951 kwam onverwacht en gaf stof tot speculaties. Zijn dood ontketende tevens een kleine uitbarsting van zelfmoorden in zijn omgeving. Direct benamen zijn vrouw Hana en zijn vriendin Eva Ebertova zich het leven; oud-Devetsilauteur Konstantin Biebl volgde enkele weken later.

En Nezval? Die overleefde zijn vriend acht jaar, net lang genoeg om een lichte dooi in het communisme te kunnen begroeten. Gevoelig als altijd voor de geest van zijn tijd wijdde hij in zijn memoires, een jaar voor zijn dood gepubliceerd (1957), lyrische en grootmoedige woorden aan zijn vroegere broeder in de kunst: “Hoewel ik in het voorjaar van 1938 met Teige heb gebroken, kan ik de gloed niet verhelen die in hem was en die ons hielp nieuwe wegen in de kunst te vinden”.

Aan Primus komt alle eer toe deze gloed en de nieuwe wegen in de kunst, onverdraaglijk voor verstarde communistische regimes, zorgvuldig te hebben ontsloten.