Heer Bran

Paul Biegel: Anderland. Uitg. Holland. Prijs fl. 24, 90

Sinds enkele jaren is de belangstelling voor de verteller en zijn verhalen groeiende. Op de televisie was een fraaie serie met meestervertellers uit de hele wereld te zien, in Amsterdam werd vorige week voor de zesde keer een driedaags vertelfestival georganiseerd en uitgeverij Lemniscaat werkt aan een omvangrijke serie, waarin de volksverhalen uit de verschillende in Nederland aanwezige culturen thematisch bijeengebracht worden. Binnen deze herwaardering voor de orale traditie past Paul Biegels visie op de middeleeuwse Brandaanvertellingen, die als titel meekreeg Anderland; een Brandaan mythe.

Brandaan was een Ierse heilige uit de zesde eeuw. De hem toegedichte omzwervingen en avonturen vinden hun oorsprong in de Keltische verhalenschat, waarin sprake is van ettelijke wonderbare zeereizen. Er bestaan twee geschreven versies van: een Latijnse uit de tiende eeuw en een Duits- Nederlandse uit de twaalfde eeuw. In Nederland moet de 'gewone' lezer het vooral doen met de moderne berijming van Bertus Aafjes uit 1949 De reis van Sinte Brandaan, van commentaar voorzien door Dr. Maartje Draak, enige malen herdrukt en inmiddels uitverkocht. In bijna drieentwintighonderd verzen ontrolt zich de negenjarige tocht van de onverschrokken monnik en zijn kompanen. Het is een wonderlijke en soms aandoenlijke mengelmoes van godsvrucht en sterk verhaal, opgetekend in een directe, hier en daar droogkomische stijl.

Paul Biegel is niet zo zeer geinteresseerd in het verhaal zelf, als wel in de manier waarop het zich heeft gevormd en verspreid. Hij voert zijn lezer terug in de tijd, naar de mistige rotskusten van Ierland, waar een drenkeling meer dood dan levend aanspoelt. Deze wordt opgenomen in een primitieve mannengemeenschap - het wordt niet gezegd, maar wellicht een van de vroegste kloosters - en herkend als Bran, de man die lang geleden naar het westen voer, op zoek naar het verre en ongekende Anderland. “Waar geen kou is en geen kilte, geen mist, geen regen, geen winter, geen honger. Anderland, waar de koeien en de schapen gebraden rondlopen en de beken van schuimend bier over de stenen bruisen, waar de vrouwen jong zijn en mooi en willig, waar de tanden niet uit je bek rotten en je voeten niet verkreupelen in een spleet.”

Naarmate de totaal uitgeputte zeeheld op krachten komt reikt hij zijn op sensatie beluste publiek flarden aan van wat hij tijdens zijn omzwervingen meemaakte. Belangrijke motieven uit het Brandaanverhaal - de teugeldiefstal, het eiland dat een walvis blijkt te zijn en de vuurspuwende vulkaan als toegang tot de hel - zijn herkenbaar. Biegel belicht echter vooral de rol van de toehoorders. Hij laat zien hoe het vertelde groeit en krimpt, hoe de wens van de luisteraar de vader van het verhaal is. Zo is er onder het gehoor een kerel die hardnekkig verwacht dat de beschreven dieren zullen veranderen in 'lekkere wijven', terwijl een ander zeker weet dat het de 'geesten van de gestorvenen' zijn.

Wie Biegels werk een beetje kent begrijpt dat het hem toevertrouwd is vooral de vertelsessies springlevend neer te zetten, met gezuip, door elkaar geroep en passend ruwe taal, vol 'Goddonder' en 'Godkalere'. Roerend is de figuur van de jongen Malle, een 'halfgare', die er als grap op uitgestuurd wordt de golven te tellen en daaruit Bran ziet aanspoelen. Voor hem is heer Bran een God, aan wie hij zich als een hond overlevert. En op een nacht is hij verdwenen met een schip naar het westen. De geschiedenis herhaalt zich, want een echte Kelt wil de zee op en Anderland mag dan niet bestaan, het zoeken ernaar blijft van levensbelang. Dat was volgens Biegel de boodschap van Brandaan en alleen een kind heeft die begrepen.

Anderland is uitdrukkelijk niet als kinderboek uitgegeven en door de vorm is het verhaal ook niet eenvoudig, zeker niet voor wie nog nooit van Brandaan gehoord heeft. Voor jongeren die dat wel hebben lijkt het mij even meeslepend als voor volwassen lezers. Was ik leraar Nederlands, dan zou ik Biegel bovendien dankbaar zijn voor de schitterende lessen literatuurgeschiedenis die ik in de schoot geworpen kreeg.

    • Bregje Boonstra