Gesprek met de toneelschrijver Peter Turrini over Oostenrijk; Vertel me niet wat ik toch al weet

Niet alleen de geschriften van Thomas Bernhard zorgen in Oostenrijk voor opschudding. Onlangs ging van Peter Turrini het toneelstuk Tod und Teufel in premiere. Het gaat over een pastoor op zoek naar de zonde en de bisschoppen hebben er al zorgelijk hun mijters over geschud. Andre Spoor sprak met Turrini in Wenen. “De sentimentele dichtertjes en schrijvers bepalen de cultuur van de meelopers, van de Waldheims.”

Al twintig jaar maakt de Oostenrijkse dichter, essayist en toneelschrijver Peter Turrini schandaal. Zijn eerste stuk Rozznjogd trof in 1971 het nobele Weense publiek al als een klap in het gezicht. Het toneel in het stuk werd voor een deel in beslag genomen door een berg afval. De hoofdfiguren, een jongen en een meisje, spraken in het jargon en met het accent van bankwerkers en automonteurs. Bovendien wierpen ze alles af wat hen nog met de burgermaatschappij verbond, ook hun kleren, om daarna naakt op de achterbank van een auto in elkaars armen te zinken.

Nauwelijks minder opwinding en geschoktheid veroorzaakte het stuk Die Burger. In het Weense parlement werd er zelfs over gedebatteerd. Een paar jaar geleden volgde Die Minderleister, een anti-kapitalistische aanklacht tegen bedrijven, die hun minder presterende werknemers via afvloeiingslijsten in de werkloosheid dumpen. Opnieuw een stuk zonder waardig decor en met een allesbehalve verheven taalgebruik.

Sinds eind november staat Turrini's jongste stuk op de planken van het Weense Burgtheater: Tod und Teufel. Het heeft Turrini en intendant Claus Peymann al een aanklacht wegens godslastering opgeleverd, ingediend door prins Lichtenstein, een kleinzoon van de laatste Oostenrijkse keizer en lid van de bondsraad voor Steiermark. De bisschoppen van het land hebben na lang beraad van actie tegen het stuk afgezien, maar hebben wel zorgelijk hun mijters geschud over de obsceniteiten, waarmee Turrini zijn 'passiespel' heeft doorspekt.

Peter Turrini werd in 1944 in Karinthie geboren als zoon van een Italiaanse meubelmaker en een moeder uit Stiermarken. Hij groeide op in het kleine dorp Maria Saal bij Klagenfurt, waar hij als zoon van een gastarbeider een geisoleerde jeugd had. Na de middelbare school trok hij weg, werkte als arbeider in fabrieken in Oostenrijk en Duitsland, had baantjes in de horeca en de reclame. Eind zestiger jaren kwam hij naar Wenen als radicaal kind van zijn tijd, vol afkeer van de 'rotmaatschappij met haar rotzooi' en geladen met revolutionair ethos.

Deze instelling heeft Turrini niet meer overboord gegooid. Ook in Tod und Teufel, een colportage met religieuze problematiek, moet de gevestigde orde het ontgelden en ontbreekt iedere sympathie voor Oostenrijks burgermaatschappij. De hoofdfiguur in het stuk, pastoor Bley, gaat op zoek naar de zonde, want “de zonde moet weer een naam krijgen, vergiffenis weer worden afgesmeekt”. Een conflict met de kerkelijke autoriteiten staat al aan de wieg van zijn zondetocht, want hij wordt gesnapt bij het masturberen met een strop om zijn nek ter verhoging van het genoegen.

Bley trekt naar de stad samen met de drop-out Rudi, die naar een filmcarriere op zoek is. Hij vindt de zonde op elke straathoek: in de seksclub, waar de eigenaar hem eigenhandig ontmaagdt, in het cafe, thuis bij de grote wapenhandelaar, in de armen van de dikke proletarische ex-caissiere en winkeldievegge Magda. Hij raakt betrokken bij het testen van een nieuw feilloos schietwapen, pleegt een willekeurige moord en vat een meer dan priesterlijke liefde op voor Rudi, die, door een overdosis Rambo-entertainment van de wijs gebracht, te pas en te onpas zijn pistool trekt en daar tenslotte een politieagent mee wondt. Dit gebeurt op het station, waar pastoor Bley zondig en piemelnaakt in een bagagesafe hurkt.

Dikke winkeldievegge

Tod und Teufel is een hedendaags passiespel en de parallellen met het evangelie zijn dan ook legio. Pater Bley's identificatie met de armen, verlorenen, cokesnuivers, criminelen, hoeren en dwalenden eindigt dan ook in de kamer van de dikke winkeldievegge (die van Turrini veel trekken van Maria Magdalena heeft meegekregen) met een zelfkruisiging aan twee deuren van een kast. Naast Bley ligt het zwaargewonde lichaam van zijn geliefde discipel Rudi, die het aan de televisie ontleende geloof in eigen almacht duur heeft moeten bekopen.

Maar het stuk is ook een actuele satire. De wapenhandelaar is zo uit het Noricum-proces gestapt, een spectaculaire rechtszaak waarin een aantal Oostenrijkse prominenten terechtstaan voor illegale wapenexport naar Iran. Met een razende reporter, die kwispelt voor het militair-industriele complex, maar er als de kippen bij is om Rambo-Rudi een 'politiemoordenaar' te noemen als er nog geen dode gevallen is stelt Turrini de ook in Oostenrijk bloedig bloeiende boulevardjournalistiek aan de kaak.

Tod und Teufel is sociale satire, provocerende sekskomedie, religieuze parabel en dramatische ballade in een. Het stuk knettert van begin tot eind bij elke aanraking met een maatschappelijk thema, of het nu drugs, de wapenhandel, de journalistiek, de consumptieorgie, commerciele seks of religie is. Maar steeds is duidelijk dat het Turrini om meer gaat. Om schuld, verzoening, om de mogelijkheid of onmogelijkheid voor het individu een oprecht leven te leiden, om de rol van God in wie niemand meer gelooft, ook Turrini niet.

De Weense opvoering, die ook de houders van een serie-abonnement kregen voorgeschoteld, werd overigens gekenmerkt door een regie met zachte hand. Volgens een criticus had regisseur Peter Palitzsch “met zijn goede smaak de opzettelijk slechte smaak van de auteur geneutraliseerd”. Dat belooft anders te worden in Duitsland. Op 8 maart gaat Tod und Teufel in premiere in Berlijn in het Schillertheater, op 12 maart in Hamburg in het Schauspielhaus. Als niet alle tekenen bedriegen wordt het stuk daar niet gebracht als een voor het abonnementspubliek gestileerde ballade, maar als de harde provocatie die Turrini's tekst lijkt te bedoelen. Urine, sperma en bloed zullen rijkelijk vloeien.

Naakte dame

Het is twee weken na de Weense premiere van Tod und Teufel. Ik zit met Turrini in Cafe Eiles achter het Rathaus, ontmoetingsplaats voor schrijvers en toneelspelers. Ignaz Kirchner, die in Turrini's stuk vier rollen speelt die de Duivel of het Duivelse vertegenwoordigen, zit even verderop te ontbijten. Christoph Ransmayer, wiens parafrase op Ovidius' Metamorphosen, Die Letzte Welt, hem in een klap internationaal beroemd maakte, zit om de hoek. Turrini moet dan ook veel handen schudden voor hij bij mij aan tafel kan aanschuiven.

Prins Lichtenstein heeft tegen u en Peymann een aanklacht ingediend naar aanleiding van Tod und Teufel. De bisschoppen zijn ontsticht. In de kritiek heeft u naast lof ook te lezen gekregen dan uw stuk vol lege cliches zit en geen esthetische kwaliteit bezit. Heeft dit u geraakt?

“Aanklachten interesseren me niet en de bisschoppen ook niet. Dat de kritiek niet honderd procent positief is vind ik normaal. Nestroy, Odon von Horvath, de belangrijkste toneelschrijvers van Oostenrijk, werden ook altijd verscheurd. Horvaths Geschichte aus dem Wienerwald werd een schandaal omdat er een naakte dame in voorkwam. Het is altijd zo gegaan. De kritiek legt algemene culturele maatstaven aan, maar het ware theater is nieuw en doorbreekt juist die maatstaven.

“Theater is, ook voor de auteur, een poging tot 'zelfverontrusting'. Het tot nog toe gevoelde en gedachte moet worden verstoord om plaats te maken voor iets nieuws. Ik ben geen literator van de kunstpagina's van de kranten. Daar sta ik buiten. Ik wil voor gewone mensen schrijven. Met cultuur wil ik niets te maken hebben, dat is een kerkhof. Salieri is cultuur; Mozart is kunst. De cultuur wordt door de kunst steeds verstoord.

“In Frankrijk en Italie heb je meer kunst en minder cultuur. Maar in Oostenrijk heerst de cultuur van het vreemdelingenverkeer met Mozart-Kugeln, etcetera. Waaraan op dit moment gewerkt wordt door levende kunstenaars interesseert hier niemand. Daarom ben ik in Oostenrijk. Uit vertwijfeling!”

Maar toch ook omdat u hier uw wortels heeft?

“Ja, maar niet in Wenen. In de provincie. De nieuwe Oostenrijkse literatuur komt daar trouwens vandaan en is totaal verschillend van de grootstedelijke, kosmopolitische, vaak joodse literatuur van voor de oorlog. Ik, Peter Handke, Thomas Bernhard, Christoph Ransmayer, wij zijn allemaal jongens uit de provincie, kinderen van het postfascisme. Groot geworden in die unieke Oostenrijkse sfeer, waarin Oostenrijk werd afgeschilderd als het eerste slachtoffer van de nazi's, maar waar wel de nazi-Ortsgruppenfuhrer meteen na mei 1945 weer geindarmeriechef werd. Het was een naadloze overgang van het ene uniform naar het andere. Thomas Bernhard noemt al die mensen 'katholieke nazi's'.

“Aan het eind van de jaren zestig kwamen we allemaal naar Wenen. Maar echte grotestadsmensen zijn we nooit geworden. We bleven gewonde provincialen, zonder relatie tot de grote stad en de toonaangevende burgerij. We hebben nu dan ook weer huizen op het land.”

In uw geval in Karinthie, in Maria Saal, waar u bent opgegroeid?

“Geen sprake van. Daar kan ik het niet meer dan een paar dagen uithouden. Het klamme zweet staat in mijn handen als ik daarheen ga. Ik probeer dan weer dialect te praten, maar dat lukt me niet echt, en met de boeren heb ik niets te bespreken. Nee, ik woon een deel van de tijd in Neder-Oostenrijk en een deel in Wenen.”

Het kan toch niet waar zijn dat er nauwelijks relatie is tussen de schrijvers uit de provincie en de Weense cultuur. Uw stuk Tod und Teufel wordt toch op de eerste planken van de stad, het Burgtheater, gespeeld!

“Dat is zo, maar dat komt door Claus Peymann, die uit Duitsland hierheen is gehaald als directeur van het Burgtheater en die in Wenen ook alom gehaat wordt. Zonder hem was ook Thomas Berhards Heldenplatz hier niet gespeeld. De grote burgerij van Wenen is sentimenteel en gezeten. De uit haar voortgekomen dichtertjes en schrijvers zijn na de oorlog zo snel als zij konden ambtenaar en afdelingschef op een ministerie geworden. Zij bepalen nu de cultuur, waarover ik het daarstraks had. De cultuur van de meelopers, van de Waldheims.

“Maar door de schrijvers uit de provincie wordt Oostenrijk nu toch ingehaald door zijn schuld aan de nazigruwelen. Er vindt nu toch een late confrontatie plaats. Het wordt tijd. We liggen 45 jaar achter bij de Bondsrepubliek, waar de breuk met het naziverleden en het schuldgevoel daarover al decennia geleden is gerealiseerd. Bij ons hebben de ex-nazi's steeds schaamteloos hun liederen gezongen en in de kroeg hun bruine ridderordes gedragen, ondertussen leuterend over het pure Oostenrijk dat het eerst door de nazi's werd overvallen.

“Oostenrijk bestaat alleen niet. Het is niets meer dan een bewering op losse gronden. Oostenrijk is de Europese smeltkroes, niets anders. Daarom is rassenhaat in Oostenrijk zo zinloos en absurd. Het hele land is een grote rassenvermenging met een sterk joodse en slavische traditie. Daarom is de Oostenrijker vaak ook zo schizofreen. Hij leeft in oorlog met zichzelf als hij pretendeert in een raszuiver, homogeen land te wonen. U bent nog niet zo lang in Wenen, maar u zult toch ook al heel wat zelfmoordenaars, die net van de hoogste verdieping zijn gesprongen, langs uw raam hebben zien suizen. Zelfvernietiging, dat is eigenlijk de enige logische consequentie die een Oostenrijker kan trekken uit de ontdekking dat Oostenrijk precies datgene is wat hij steeds heeft beweerd te willen vernietigen.”

Over al deze thema's gaat Tod und Teufel natuurlijk ook. Wat heeft u willen bewerkstelligen met uw stuk?

“De interpretatie van mijn stuk laat ik graag aan het publiek over. Het spannende aan theater is dat het een laatste overblijfsel is van een geimproviseerde ontmoeting. Maar ik wil natuurlijk wel erkennen dat het grondthema schuld is. Schuld, die in onze tijd nooit meer wordt toegegeven of bekend. Niet in de politiek, zoals in het Noricum-schandaal waarvan iedereen weet dat er illegaal wapens naar Iran werden verscheept, maar waar desondanks een gewichtige commissie van onderzoek de feiten zegt te gaan achterhalen.

“En ook niet in het priveleven. Niemand bekent ooit meer ergens schuldig aan te zijn. Dat berooft zeen mens van de pijn zowel als van de vergiffenis. Binnen de religie werkt het ook niet meer. De religieuze zekerheden zijn weg en daarom durft niemand meer schuldgevoel aan. De psychologie wordt nu in stelling gebracht om alles te verklaren en te vergoelijken. Maar die psychologie kan de problemen van schuld en vergeving niet aan. Met haar verklaringen komt de mens niet verder. Evenmin trouwens met de journalistiek, een andere instantie die de werkelijkheid uitlegt en verklaart. Alleen al de snelheid waarmee in de pers over van alles en nog wat meningen worden verkondigd en gebeurtenissen worden bestempeld maakt haar tot een walgelijk bedrijf.

“Ik zie Tod und Teufel als een ballade van drie mensen: de priester, de Rambo-jongen en de oude alcoholica. De gewelddadige jongeman heb ik misschien het meest geprobeerd te verdedigen tegen al te gemakkelijke weerzin tegen dergelijk terroristisch jeugdgedrag.

“Maar ik voer geen polemiek tegen mijn karakters. Ik probeer rechtvaardig te zijn en zonder oordeel mijn figuren tegemoet te treden. Maar ik denk wel dat radicaliteit en pijn nodig zijn bij kunst en daarom gebruik ik harde middelen. Misschien wel extra harde omdat ik met mijn rooms-katholieke opvoeding altijd het gevoel heb dat God over mijn schouder zit mee te kijken naar wat ik schrijf. Ook al heb ik hem in mijn hoofd allang geleden afgeschaft.”

Uw harde theatrale middelen hebben u twintig jaar schandalen en golven van verontwaardiging opgeleverd. Zijn zulke reacties van essentieel belang voor u?

“Niet alleen maar schandalen heb ik naar mijn hoofd gekregen. Ook bedreigingen met moord en bommen. En soms ook liefdesverklaringen. Omdat Oostenrijk klein is en lijkt op een kleine familie slaat de literatuur vaak in als een bom. Dat heeft ook zijn voordelen. Wij kennen gelukkig niet dat dodelijk gebrek aan emotionele en intellectuele belangstelling dat je nu vaak in Duitsland vindt, waar de kracht van wat de kunst te zeggen heeft versnipperd is over een groot aantal steden. Inderdaad, die heftige reacties op mijn werk zijn belangrijk voor me. Aan de andere kant heb ik meestal steun en succes bij het gewone publiek. Er waren ovaties bij de premiere in het Burgtheater van Tod und Teufel.

“U moet het trouwens niet overdrijven. Soms krijg ik ook sympathie uit wat je de gevestigde cultuur zou kunnen noemen. De joodse schrijfster Hilde Spiel bij voorbeeld, die kortgeleden 79 jaar oud is overleden, had met haar door joodse ironie gerelativeerde Grossburgertum veel op met ons, jonge provincialen. Zij was bevriend met Thomas Bernhard. Ik was nog bij haar twee weken voor haar dood. Zij begreep onze haat-liefde voor Oostenrijk, onze beschadiging door het postfascisme van de provincie, onze wanhoop, maar ook onze verwantschap met het boerenleven op het platteland. Die verwantschap gaat bij mij zo diep dat ik een zesdelige televisieserie heb gemaakt, samen met Wilhelm Peony, over het leven van kleine boeren en hun werkvolk. 'Alpensaga' heette die. Meer mensen keken er naar dan naar quizzen en Schlagers.

“Weet u wie ook heel belangrijk is geweest voor mij en in het algemeen voor ons, jonge schrijvers uit de provincie, kinderen van arbeiders en kleinburgers? Bruno Kreisky, de Oostenrijkse bondskanselier van 1970 tot 1983. Kreisky heeft ons naar huis gehaald, kun je zeggen, en dat was nodig, want wij waren bijna allemaal verdwenen naar andere delen van het Duitse taalgebied. Hij zorgde voor opvoering van onze stukken, hij hielp een uitgeverij oprichten waarin ons werk kon verschijnen (het Residenz Verlag), hij belde soms op om te vragen waarmee we bezig waren.

“Als je met hem praatte zei hij altijd: 'vertel me niets wat ik sowieso al denk'. Hij hield van discussie en intellectuele strijd en was nieuwsgierig naar dingen die hem niet in zijn mening bevestigden en hem konden verrassen. Kreisky was voor ons de laatste vertegenwoordiger van de joodse hoge burgerij, die voor de nazitijd het artistieke klimaat van Wenen had bepaald. Nu hij dood is zijn er alleen nog maar afdelingschefs over.”