Eemshaven knokt onvermoeid door voor industrie

GRONINGEN, 4 JAN. De toenmalige commissaris der Koningin in Groningen, mr. Toxopeus, had het in zijn speech bij de opening van de Eemshaven in 1973 al voorspeld: de haven is een zaak van geloof. “Maar”, voegde hij eraan toe, “wie geloven haasten zich niet.” De Eemshaven zou de poorten openen naar een nieuwe industriele toekomst voor het noorden. Maar zeventien jaar nadat onder het toeziend oog van koningin Juliana de openingsvuurpijl de lucht inging, is er nog steeds geen industrie. Van de 620 hectare is 155 uitgegeven aan op- en overslagbedrijven. Er werken 300 mensen. De bestuurders zijn voorzichtig geworden, maar blijven geloven in de mogelijkheden van de Eemshaven. “Als we per jaar drie hectare uitgeven zijn we tevreden.”

De Eemshaven was bij de opening een grote kale vlakte. De toenmalige minister van verkeer en waterstaat Westerterp probeerde de Groningers een hart onder de riem te steken. “In 1964 was er ook nog niks in het Sloegebied toen dit werd geopend, terwijl daar nu een en al bedrijvigheid heerst. Je kunt niet alles in een keer verwachten.”

Dat doen het provinciaal bestuur van Groningen en het Havenschap in Delfzijl inmiddels ook niet meer. De afgelopen jaren toonden talloze bedrijven serieuze belangstelling voor de Eemshaven maar ze haakten af zodra of net voordat de contracten op tafel lagen. Een paar weken geleden kwam de haven opnieuw negatief in het nieuws door de financiele problemen bij de fruitterminal. De terminal kwam - bij gebrek aan belangstelling van andere zijde - in handen van de grootste schuldeisers, de Friesch-Groningse hypotheekbank en de Amrobank.

Wat is er mis met de in grootte vierde haven van Nederland? Wie langs het terrein rijdt, ziet aan zijn rechterhand de grote elektriciteitscentrale van de EPON. Even verderop staan de witte loodsen van de overslagbedrijven Terminal Eemshaven (TE), Transit Center Eemshaven (TCE), de patatfabriek Gerant, panden van de reders AG Ems en Kamstra. Echte industrie is er niet. Maar met het doel van industriele activiteiten is de haven eind jaren zestig wel aangelegd. Economische groei was toen het toverwoord en een grote zeehaven in het noorden paste uitstekend in dit plaatje.

In 1970 begon de aanleg van de haven. Kosten: 140 miljoen gulden. De provinciebestuurders gingen er van uit dat de industriehaven werkgelegenheid zou bieden aan 7000 tot 13.000 mensen in de petrochemische industrie, maar ook in scheepsreparatie en aluminiumsmelterijen. Scepsis is er dan al, vooral bij de linkse politieke partijen en milieu-activisten. DSM had wel belangstelling en wilde enkele honderden hectare reserveren. Maar het bleef bij borrelpraat.

Kort na de opening slaat de economische recessie, veroorzaakt door de oliecrisis, toe. Investeringen blijven achterwege. Ook de veranderende milieu-inzichten - onder invloed van het rapport van de Club van Rome - vatten post bij de linkse Groninger bestuurders. Gedeputeerde R. Vos: “De progressieve partijen kwamen aan de macht. Men had het idee dat er genoeg bedrijven waren. Het provinciaal bestuur van Groningen bepaalde wat wel en niet toelaatbaar was. Daardoor onstond het beeld dat we hier moeilijk deden en strenger waren met onze milieuvoorschriften.”

Directeur C. Biemond van het Havenschap Delfzijl: “Men was hier toen roomser dan de paus.” Dat beeld bleef blijkbaar hangen bij veel potentiele investeerders. De grootschalige industrie bleef weg en de haven werd al binnen enkele jaren getransformeerd tot handelshaven. Kades werden aangelegd en de dijken rond de haventerreinen werden verlegd.

De op- en overslagbedrijven die zich eind jaren zeventig vestigden in de Eemshaven, draaien goed. “In 1978 hadden we hier een loods van 6000 vierkante meter, nu van 60.000 vierkante meter”, zegt directeur Bouwman van TCE, dat voor negentig procent suiker op- en overslaat. Bij TCE werken honderd mensen. Anderhalf jaar geleden besloten Bouwman en mededirecteur Ringers een suikerterminal te bouwen die jaarlijks 100.000 ton overslaat. Bouwman is een tevreden man: “Onze klanten zitten over de hele wereld en zijn gek op deze haven, omdat hij toegankelijk is voor schepen met een grote diepgang. Ook de infrastructuur is hier goed.”

Bouwman ziet zeker perspectieven voor wat eens 'de motor' van de Noordelijke industrie moest worden: “Binnen tien jaar zit hier industrie, daarvan ben ik overtuigd. We zitten hier aan de rand van Europa en dat is aantrekkelijk, zeker met de nieuwe markten in Oost-Europa en Scandinavie. Daarbij komt dat de havens van Hamburg, Bremen en Rotterdam dichtslibben. Dan komt de Eemshaven weer in beeld. Ook denk ik dat scheep- en binnenvaart een grote vlucht zullen nemen, omdat transport over de weg duurder gaat worden.” Bouwman is van mening dat in het verleden te lang gegokt is op de grotere concerns. “Maar je kunt ook tien kleinschaliger bedrijven binnenhalen.”

Directeur C. Tammes van het diepvries-overslagbedrijf Sealane dat voornamelijk vis en vlees overslaat, somt moeiteloos de voordelen van “deze schitterende haven” op: goede faciliteiten, diep water, interessante subsidies (25 procent IPR), mooie kades. Sealane begon in 1979 met 30.000 kubieke meter. Binnen tien jaar bouwde het bedrijf er 45.000 m3 bij en voor volgend jaar staat nog eens een uitbreiding van 25.000 m3 op het programma.

In april van dit jaar zal het Havenschap voor zes miljoen een extra handelskade aanleggen voor overslag-activiteiten. Maar Biemond wil de andere poot, die van de onontbeerlijke industrie-activiteiten, niet uit het oog verliezen. “Al valt het niet te ontkennen dat de visie van twintig jaar geleden over de industriele invulling niet is gehaald. We doen ons best chemische industrie aan te trekken. Maar het is erg moeilijk omdat in de Eemshaven geen industrie aanwezig is en de nijverheidstraditie ontbreekt. Dat merken we aan klanten die naar het industrieel klimaat kijken.” Biemond beseft dat bedrijven mondiaal een enorme keuze uit vestigingsplaatsen hebben. “Kiezen ze eenmaal voor Nederland, dan zijn er hier nog zes locaties.”

Maar de directeur van het Havenschap legt het moede hoofd niet in de schoot. “In Delfzijl en de Eemshaven hebben we nog 900 hectare industriegrond vrij. Vorig jaar hadden we een klapper toen de elektriciteitscentrale van de EPON dertig hectare uitbreidde. We streven ernaar in beide havens jaarlijks zes hectare te verkopen. Buitenstaanders zeggen dat het dus nog negentig jaar duurt eer het hier vol staat. Maar we moeten ons niet meten aan dat ruime jasje. De ontwikkelingskansen zijn er, we moeten aan het werk. Jaarlijks doen we aanbiedingen aan circa twintig bedrijven. Vroeg of laat moeten we scoren, maar het is hard knokken.”

Biemond weet waarover hij praat. Al zo vaak was zijn haven tweede keus en viste hij net achter het net. Met DSM, met de aanlanding van LPG uit Algerije, met de ontwikkeling van een kunstmestfabriek die hij zeker dacht binnen te hebben, met het gasscheidingsstation van de NAM, met Xantar (in Delfzijl) en met de aanlanding van Noors aardgas door Statoil. Het Havenschap bleef met lege handen achter.

Vragen naar de redenen heeft weinig zin, weet Biemond. Uit beleefdheid krijgt hij of de werkelijke reden niet te horen of hoort hij eenvoudigweg dat een andere locatie geschikter was. Het imago van het noorden kan een rol spelen. Gedeputeerde Vos: “Het hardnekkige beeld dat Noord-Nederland ver, kil en ongezellig is. Alle drie zijn onzin. We zijn bezig met de promotiecampagne 'Er gaat niets boven Groningen' dat het noorden een positiever imago moet geven.” Een andere handicap waaraan de Eemshaven lijdt, zouden de activiteiten van de Werkgroep Eemsmond van de Waddenvereniging zijn. De werkgroep trekt regelmatig bij de Raad van State aan de bel om een (toekomstig) bedrijf te dwingen strikt de hand te houden aan de milieuvoorschriften.

Vos heeft zich dan ook behoorlijk geergerd toen minister-president Lubbers in de jubileumuitgave van het Waddenbulletin opmerkte dat er geen plaats meer was voor industrie in het Waddengebied. “Hij poetst zijn geweten op een simpele wijze schoon. De Waddenzee wordt voor negentig procent vervuild door de kalimijnen in Frankrijk en de chemische industrie aan de Rijn. Tien procent van de vervuiling komt uit Groningen.” Vos zegt weinig last te hebben van de Werkgroep Eemsmond. “ De milieuwetten worden hier niet anders toegepast dan elders, al kunnen de vele procedures de schijn wekken dat het hier allemaal lastiger is en langer duurt.”

De Cebin (Commissie voor buitenlandse investeringen in Nederland, de aqcuisitiepoot van Economische Zaken in het buitenland) en de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij zijn volgens Vos constant bezig buitenlandse ondernemingen voor de Eemshaven te interesseren. “Wij zijn beschikbaar. De overslagfunctie van de haven groeit, maar de industrie moet ook komen.”

Biemond: “Een gezonde haven moet vandaag de dag een tweeledige functie hebben. De wereldhandelsvloot groeit, we kunnen de Eemshaven gemakkelijk aanpassen voor schepen met een diepgang van zeventien meter. Een ander voordeel? Wij hebben hier geen files.” Vos: “De afstand van de Eemshaven en Rotterdam naar het Ruhrgebied is in kilometers even groot, maar toch kom je er vanuit Groningen sneller.”

    • Karin de Mik