DNA-onderzoek mag van minister

DEN HAAG, 4 jan. - Minister Hirsch Ballin (justitie) zal nog dit voorjaar een wetsvoorstel naar de Raad van State sturen dat het mogelijk maakt om verdachten van ernstige misdrijven verplicht te laten meewerken aan DNA-onderzoek.

Het wetsvoorstel zal overeenkomen met het advies van een groep onafhankelijke deskundigen, de zogeheten commissie-Moons, die de minister gisteren heeft geadviseerd dat het wenselijk is dat er een wettelijke basis komt voor DNA-onderzoek omkleed met waarborgen voor de verdachte.

De medisch-ethische commissie van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst acht een verplichte medewerking aan een DNA-onderzoek geoorloofd, maar uitsluitend als er onvoldoende ander bewijs is.

De rechter-commissaris zou dan ook de beslissing moeten nemen. DNA-onderzoek moet geen routine worden bij elke moord of verkrachting, aldus Th. van Berkestijn, secretaris-generaal van de KNMG.

Een DNA-onderzoek - waarbij aan de hand van levend celmateriaal zoals bloed, sperma of slijm van ieder individu een uniek DNA-profiel kan worden gemaakt - moet alleen mogelijk zijn bij verdachten van misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, of bij verdachten van zeden- en geweldsmisdrijven. De verdachte krijgt het recht een tegenonderzoek te vragen.

DNA-onderzoek was tot nu toe alleen mogelijk bij vrijwillige medewerking van een verdachte. De Hoge Raad bepaalde vorig jaar dat er geen wettelijke voorziening is die inbreuk op de grondwettelijk gegarandeerde onaantastbaarheid van het lichaam toestaat.

De commissie-Moons zegt dat er geen strijd meer is met de Grondwet als in een wet specifiek is omschreven “met welk doel en op welke wijze de desbetreffende inbreuk mag worden gemaakt”.

Pag. 3: “DNA-onderzoek voldoende betrouwbaar” - Nieuwsanalyse