De onstuitbare opmars van de draadloze telefoon

Draadloos bellen verovert de wereld. De telefoon wordt verbonden met een persoon, op straat, in de auto, op kantoor, de boot, het strand of waar die zich ook bevindt. De nog jeugdige industrie voor draadloze communicatie boekt geweldige successen; de vooruitzichten zijn veelbelovend. Is het einde van de telefoonkabel in zicht?

Over een ding zijn de kopstukken in de hedendaagse telecommunicatiewereld het roerend eens: er staat een revolutie voor de deur die in de naaste toekomst de infrastructuur van het telefoonwezen ingrijpend zal wijzigen.

Nu spreken op elk moment van het etmaal nog ongetelde miljoenen mensen met elkaar via ondergrondse kabelnetwerken van koper en glasvezel. Dat zal ten dele zo blijven. Maar tegelijkertijd bevrijden de globale telecommunicatie-industrieen zich steeds meer van de kabels die hen meer dan een eeuw lang bonden. Zij gaan de consumenten in snel tempo draadloze, mobiele communicatie bieden. Daarbij wordt de telefoon niet meer met een vaste plaats verbonden, maar met een persoon, op straat, in de auto, op kantoor, de boot, het strand of waar dan ook.

“Wij bevinden ons nu met de draadloze persoonlijke communicatie in de prille fase waarin zich 1980 de personal computer bevond”, voorspelt Colin Buckingham, directeur van het onlangs in Nederland gevestigde Ericsson Business Mobile Network BV. Zijn bedrijf zal vanuit vestigingen in Amsterdam, Emmen en Enschede draadloze bedrijfstelefoonnetwerken op de wereldmarkt introduceren en hij verzekert in alle ernst: “Wij steken nu meer tijd in het temperen dan in het stimuleren van de vraag.”

Ligt er inderdaad zo'n enorme markt braak voor de draadloze telefoon? Zijn de massa's echt bereid vanaf allerhande plaatsen draadloos met elkaar te praten en vooral ook te blijven praten? En zullen de miljarden-investeringen in apparatuur, basisstations, 'cellulaire' netwerken en centrales hun geld opbrengen?

Feit is dat de nog jeugdige industrie voor draadloze communicatie geweldige successen heeft geboekt. De vraag overtrof de meest optimistische verwachtingen, terwijl fabrikanten en exploitanten hun winsten sterk konden opvoeren.

Neem de twee wereldmarktleiders in deze sector, het Amerikaanse Motorola en het Zweedse Ericsson. Motorola hield vorig jaar aan zijn 'cellulaire', draadloze zaken 340 miljoen dollar over. En de helft van Ericssons totale winst - omstreeks 500 miljoen dollar - komt dit jaar van de mobiele communicatie. De vooruitzichten zijn veelbelovend.

Onderzoekers van Arthur D. Little Inc. in de Verenigde Staten zeggen dat daar de komende drie a vijf jaar 42, 5 miljoen huishoudens overwegen een draadloze telefoon aan te schaffen. Naar verwachting zullen twaalf miljoen dat ook doen.

Sommige marktdeskundigen zien zelfs een potentiele verkoopbonanza voor draagbare telefoons in gebieden als Oost-Europa, waar de conventionele draadsystemen in een erbarmelijke conditie verkeren en dringend moeten worden vervangen. Waarom al dat werk? vragen zij zich af. Zou het niet veel voordeliger en sneller zijn om direct over te stappen op de draadloze telefoon? Experts van Motorola menen dat Oosteuropese landen twintig tot veertig procent goedkoper uit zijn, als zij de vernieuwing van de draadtelefoon vergeten en direct overschakelen op mobiele, cellulaire telecommunicatie.

Vervolg pag. 10: In Japan verwacht de overheid dat in het jaar 2005 een derde van de bevolking zich tot draadloze communicatie zal hebben bekeerd. Volgens Westeuropese marktkenners is het oude continent in het jaar 2000 goed voor vijftien a twintig miljoen klanten.

En Nederland? Op de snelwegen is te zien dat de autotelefoon redelijk in opmars is. Maar het beeld van zakenlieden in gestreept-grijs, die wandelend op straat met zaktelefoons zaken doen, is in Amsterdam of Rotterdam nog vrijwel onbekend. In steden als Stockholm, Londen of New York wordt het een alledaags verschijnsel. En in een 'opgefokt' marktgebied als Las Vegas, waar nu negen van de tien klanten 'draadloos gaan', heeft het draadloze bellen een epidemische omvang bereikt.

“De penetratie van de draadloze telefoon is bij ons nog aan de lage kant”, bevestigt ir. Wim van Eck, hoofd mobiele telecommunicatie van de PTT. “Nederlanders koesteren nu eenmaal een zekere koud-watervrees tegenover echte innovaties. Bij ons komt daarom alles twee jaar later.” Van Eck: “Je hoort in zakenkringen wel zeggen: als je weet door te breken in Nederland, dan moet het overal lukken.”

Toch voorziet de PTT-chef ook in het vaderland onstuimige groei. Hij zegt: “Wij verwachten dat er in het jaar 2000 van de zeven miljoen telefoonaansluitingen bij ons een miljoen mobiel zullen zijn.”

Frans Hakhoff, marktgroepleider radio-communicatie van Philips Nederland, en Harrie Hendriks, verkoopchef van Motorola in Nederland, onderschrijven desgevraagd Van Ecks opvallende prognose.

Hakhoff zegt: “Sinds het PTT-monopolie op de verkoop van apparatuur per 1 januari 1990 verviel, kwam de markt sterk in beweging en groeide de concurrentie enorm. De prijs van een autotelefoon zakte in korte tijd van 5000 gulden tot iets minder dan 3000 gulden. Toen de mobiele zaktelefoon hier een half jaar geleden op de markt kwam, kostte die 9000 gulden. Nu ligt het apparaatje al voor de helft van die prijs in de winkel.”

De Philips-manager denkt dat pas een echte doorbraak naar 'de massa' te verwachten valt als de prijs beneden de 1500 a 2000 gulden zal kelderen. “Dat zal zeker gebeuren”, voorspelt hij, “maar niet binnen een jaar.” Hendriks van Motorola knoopt eraan vast: “In Nederland geldt de mobiele telefoon nog te veel als een luxe yuppie-verschijnsel. Dat zie je aan de penetratie die hier op vier per 1000 inwoners ligt. In Engeland zitten ze op twintig, in Noorwegen op 46 en in Zweden op 53.”

De groei van de draadloze telecommunicatie in Nederland zou volgens Hendriks zeker worden gestimuleerd als de PTT niet langer het monopolie heeft op de exploitatie van het netwerk (dat tot 1994 loopt). “Hier moet hoognodig een tweede netwerk komen dat door particulieren wordt gedreven, zoals in veel andere landen”, aldus de Motorola-chef.

Maar PTT-er Van Eck acht Nederland aan de kleine kant voor meerdere 'operators'. “Daar komt bij”, oordeelt hij, “dat je verenigd steviger staat in Europa.” Van Eck vindt ook dat de 'autofoon' in Nederland nog een te elitair imago heeft. “Belachelijk”, roept hij. “Een directeur stopt zo'n apparaat in zijn auto en zit daarna het grootste deel van de dag achter zijn bureau. Tegelijkertijd stuurt hij zijn mensen de weg op zonder autofoon. Iedere lease-maatschappij zou zo'n ding in de auto moeten aanbieden.”

De autotelefoon deed pas tien jaar geleden zijn intrede in Nederland. Het principe berust op het aanleggen van een netwerk van basisstations, de zogeheten 'cellen', een soort elektronische 'honingraten' met in het centrum een radiozend- en ontvanginstallatie. Een automobilist die belt, maakt automatisch contact met een basisstation dat hem doorschakelt naar andere stations. Dit 'cellulaire' netwerk is en wordt ingericht in steden, havens, langs snelwegen, in treinen enzovoorts.

Het eerste netwerk heet ATF-1, heeft een capaciteit van 2500 gebruikers en was al in 1982 vol. Daarna volgde ATF-2, dat bijna 30.000 gebruikers telt, eveneens vol is en waarmee de abonnees in de hele Benelux kunnen bellen. Vervolgens verscheen ATF-3 met een capaciteit van 300.000, dat nu ongeveer 52.000 abonnees telt.

Dit net heeft voldoende capaciteit om de tijd te overlappen naar ATF-4, oftewel GSM - het Pan-Europese autotelefoonnetwerk dat in 1992 operationeel wordt. Via ontelbare basisstations op tien kilometer afstand van elkaar zal de gebruiker dan kunnen bellen van de Noordkaap naar Athene. Een volledige dekking is echter pas in 1995 te verwachten.

Een ander voordeel van ATF-4 is dat de specificaties in heel Europa hetzelfde zijn zodat deze mobiele telefoon in heel Europa zal zijn te gebruiken. Dat geldt niet voor de systemen ATF-1 t-m -3, die onbruikbaar zijn voor internationale gesprekken.

Wim van Eck van de PTT over de situatie in Nederland: “Het ging met de autotelefoon eigenlijk pas goed lopen in 1988 toen er ineens 10.000 abonnees bij kwamen. In 1989 meldden zich 30.000 nieuwelingen en vorig jaar 35.000 a 40.000. Voor 1991 verwacht ik een soortgelijke groei.”

Ook internationaal gaat het hard. Zomaar twee berichten, medio december, van de telex geplukt: 's Werelds grootste autoproducent General Motors maakt samen met de Franse telecommunciatie-gigant Alcatel zijn entree in de cellulaire telefoonindustrie. GM produceert jaarlijks vijf miljoen auto's en wil zijn hele netwerk van dealers inzetten om de klanten tevens een mobiele GM-Alcatel-autotelefoon aan te smeren. Vrijwel tegelijkertijd besloten Japans tweede autoproducent Nissan en het elektronica-concern Hitachi tot een soortgelijke stap. Nissan-president Yutaka Cume lichtte toe: “Het uitrusten van een auto met een hoogwaardig communicatiesysteem zal bij het overtuigen van de klant even belangrijk worden als het bieden van een aantrekkelijk model en een efficiente motor.”

Op dit moment zijn er in Nederland ongeveer 85.000 autotelefoon-abonnees. Zij betalen de PTT een entreegeld van 100 gulden (tegen 210 gulden voor een vaste verbinding) en maandelijks nog eens 85 gulden (23 gulden). Per maand belt de doorsnee-autotelefonist 200 minuten a raison van negentig cent (zestien cent) per minuut. Die huidige 85.000 abonnees bezorgen de PTT dus nu al een omzet van meer dan 200 miljoen gulden. En als er in het jaar 2000 mogelijk een miljoen abonnees zullen zijn heeft de PTT een goudmijn in handen? PTT-chef Wim van Eck zwijgt. Dat moet hij ambtshalve. Maar hij glimlacht breed.

Minstens zo veelbelovend als de grootschalige ATF-systemen met hun grote actieradius zijn, volgens de telecommunicatie-fabrikanten, de meer kleinschalige, draadloze telefoonsystemen voor zeer intensief gebruik op beperkt terrein - bedrijven, havens, vliegvelden, winkelcentra enz.

Telepoint oftwel CT-3 is een van de eerste systemen in dit genre. Met een door batterijen gevoed handapparaat kan de klant contact maken met nabije basisstations in een beperkt gebruiksgebied. Omdat die stations op honderd meter van elkaar liggen, kunnen gewicht en voeding van het handapparaat beperkt blijven en kunnen ook vele abonnees tegelijk bellen.

De Telepoint-technologie is aantrekkelijk omdat ze eenvoudig en goedkoop is. Er kleeft echter een groot nadeel aan. De gebruiker kan alleen zelf bellen en niet gebeld worden. Telepoint is in 1989 voor het eerst op commerciele basis gelanceerd in Engeland, maar de verwachte Bonanza laat nog altijd op zich wachten. Nu zijn er pas vijfduizend apparaten verkocht. De oorzaak is eigenlijk te simpel. De exploitanten verzuimden eerst een behoorlijk netwerk van basisstations aan te leggen. “Wij hebben een nog onbruikbaar produkt aangeboden”, bekende Derek Arnold, van de Britse Telepoint-exploitant Mercury eerder deze maand. “Wij hadden ons kruit droog moeten houden.”

Niettemin blijven Nederland, Frankrijk en Duitsland van plan eigen Telepoint-netwerken te installeren. Veel telecommunicatie-experts menen overigens dat de toekomst van de draadloze communicatie eerder ligt in een verdere ontwikkeling van de huidige 'cellulaire' technologie naar wat wordt genoemd 'persoonlijke communicatienetwerken' - PCN ofwel CT-3. Dit systeem gebruikt ontelbare microcellen, opereert op een hogere frequentieband en biedt daarmee een betere kwaliteit en veel groter vermogen dan de Telepoint-CT-2. Ook kan met de PCN-CT-3 niet alleen worden gebeld maar ook worden ontvangen.

Een half jaar geleden lanceerde het Zweedse Ericsson-concern vanuit zijn Nederlandse vestiging in Emmen als eerste een op PCN-technologie gebaseerd DCT-900-systeem voor zeer intensieve draadloze telefooncommunicatie op een beperkt terrein van maximaal een vierkante kilometer. De Nederlandse PTT test dit nieuwe systeem nu in zijn hoofdkantoor in Den Haag en in maart gaat de Hannover Messe het - met tienduizend lijnen - ook proberen.

Ericsson-directeur Colin Buckingham wekt al pratend over zijn nieuwe DCT-900 de indruk dat de toekomst tot ver over de horizon reikt. “De belangstelling is overweldigend”, legt hij uit. “Wij gaan volgend jaar met ons DCT-900-systeem ook proefdraaien bij Daimler-Benz en Lufthansa in Duitsland, bij Qantas in Australie en in Andorra. Aanvragen uit landen als Japan, China en Australie stromen binnen. En via een samenwerkingsverband met het Canadese Novatell hopen wij de DCT-900 in licentie in Noord-Amerika te bouwen.”

Volgens de Ericcson-topman biedt de DCT-900 vele voordelen. Op jubeltoon: “Denk eens aan de laatste vijf keer dat je belde. Zeker twee of drie keer hoorde je: 'Hij is niet aan zijn bureau' of: 'Hij is in vergadering'. Met de DCT-900 bel je geen plaats maar direct de persoon die het toestel in zijn zak draagt. Dat spaart tijd en geld en is ook goed voor de dienstverlening aan de klant. Verder zijn bij reorganisatie op kantoren geen kostbare verbouwingen meer nodig.”

Ericcson hoopt de kleinschalige PCN-DCT-900 te integreren in het pan-Europese GSM-ATF-4-systeem - in eerste instantie door de PCN-ATF-installaties in een auto met elkaar te verbinden en later door de ontwikkeling van een gecombineerd PCN-ATF handapparaat. “Deze persoonlijke communicatierevolutie zal die van de persoonlijke computer overtreffen”, weet Buckingham.

Intussen buigt het Europese Telecommunicatie Standaard Institute (ETSI) - belast met het bevorderen van een homogene telecommunicatietechnologie in de EG - zich over de vraag of het Telepoint dan wel PCN (ook wel Dect genoemd) zal sanctioneren. Na verwoede strijd waarbij ook regeringen in het krijt traden, wordt nu verwacht dat het ETSI in 1992 beide systemen het groene licht zal geven.

Op intercontinentaal niveau is van standaardisatie nog minder te merken. In de Verenigde Staten heeft de Federale Communicatiecommissie vijftien verschillende mobiele communicatiesystemen tot 1995 de tijd gegeven om hun waarde te bewijzen. Dan zal de beste worden uitgekozen. In Japan valt de grote invloed van het Amerikaanse Motorola-concern op en zijn populaire Microtac mobiele telefoon kreeg afgelopen mei zelfs het fiat van het ministerie van telecommunicatie in Tokio. Voorwaarde is wel dat Motorola zijn technologie gratis deelt met de Japanse concurrentie.

Het grote ideaal blijft natuurlijk het zogeheten UMTS, een universeel net voor draadloze communicatie dat iedere wereldburger een nummer geeft en per mammoetcomputer nagaat waar hij-zij te bereiken is - thuis, op de weg, op kantoor, de boot, op welk continent dan ook. Voor de een is dit nog science fiction, voor de ander een duidelijk toekomstperspectief.

Vast staat dat de ontwikkelingen in sneltreintempo doorgaan. Zo maakte Motorola onlangs ambitieuze plannen bekend voor een satellietsysteem voor persoonlijke communicatie. Volgens dit Iridium-project zal een netwerk van 77 satellieten fungeren als een digitaal geschakeld persoonlijk communicatienetwerk. De gebruiker maakt met zijn mobiele telefoon direct contact met de dichtstbijzijnde satelliet. Die kaatst het signaal terug naar een aards station dat nagaat of de gebruiker is geautoriseerd. Het signaal gaat vervolgens via een constellatie van satellieten naar de gewenste plaats op aarde. Motorola schat de kosten van het Iridium-project op twee miljard dollar. Aangenomen dat de technische, politieke, administratieve en financiele zaken in redelijk tempo worden opgelost, zou het netwerk in 1995 kunnen functioneren.

Volgens Harry Hendriks van Motorola-Nederland moet Iridium worden gezien als een aanvulling op 'aardse' systemen en kan het vooral van groot nut zijn voor de afgelegen en minst ontwikkelde delen op onze planeet. “Iridium kan vele miljoenen klanten bedienen”, vertelt Hendriks. “Maar met 700.000 klanten die 3500 dollar voor hun mobiele telefoon betalen en daarnaast nog honderd dollar per maand, zouden wij al zonder verlies kunnen draaien.”

    • Ferry Versteeg