De ezel en de zeerover

Met de boot ging ik naar een Grieks eiland dat Santorini heet. Vanuit de verte zag ik het eiland liggen. Het zag er vreemd uit. Het leek net of er een hoge rand van een ronde pot uit de zee omhoog stak. Boven aan de rand lagen grappige witte huisjes. Dat was het dorpje Ia. In Ia hoor je vaak 'iaaa' roepen want iedereen rijdt er op een ezel. Om in Ia te komen moest ik midden op zee van de boot overstappen op een klein stoombootje dat me naar het eiland bracht. In Ia is namelijk geen haven waar de grote boot kan afmeren.

Het was al donker toen het stoombootje mij afzette bij een steiger. In de buurt stonden een paar vervallen hutjes. Er was geen mens te zien. Heel hoog boven me zag ik de lichtjes van de huizen van het dorpje Ia branden. En verder waren er allemaal sterren. De hemel was er mee bezaaid. Het was echt alsof er een druiventros van sterren boven het eiland hing.

Het was een prachtig gezicht, dat wel, maar ik maakte me zorgen hoe ik in Ia moest komen. Het dorp lag minstens driehonderd meter hoger. Moest ik in het donker met mijn koffers langs die vreselijk steile rand omhoogklimmen? Dat leek me heel griezelig. Eerlijk gezegd, durfde ik dat helemaal niet.

Terwijl ik mijn probleem stond te overdenken en in de verte de krekels hoorde tsjirpen, kwam er een man uit het donker. Hij had woeste zwarte haren en hij droeg vieze oude kleren. Hij leek op een zeerover. Wat een onguur type, dacht ik, maar laat ik hem toch maar vragen of er geen ezeldrijver in de buurt is die mij naar Ia kan brengen. De ezels waren natuurlijk al lang aan die steile helling gewend en zouden de weg in het donker wel weten te vinden.

Ik vond het een goed idee van me zelf. Het was alleen jammer dat ik het Griekse woord voor ezeldrijver niet kende. En het Griekse woord voor ezel kende ik ook al niet. Ezel die ik was, begon ik dus maar luidkeels te balken in de hoop dat de zeerover dan wel zou begrijpen wat ik bedoelde. Terwijl ik almaar 'iaaaaaaiaaaaaa' op het steigertje stond te roepen, keek de zeerover mij eerst verbaasd en toen grijnslachend aan. Maar na een tijdje leek hij toch wel te begrijpen waarom die malle toeriste midden in de nacht op een steigertje een ezel nadeed.

De zeerover sloot zijn ogen, hield zijn hoofd schuin en legde het op een denkbeeldig kussentje waarbij hij luidkeels begon te snurken. 'Iaaaaaa schlaft', zei hij in het Duits. De ezeltjes sliepen dus volgens de zeerover. Ik haalde wat bankbiljetten uit mijn portemonnee en liet ze aan de zeerover zien. Voor dat bedrag maakt hij de ezeltjes vast wel wakker, dacht ik. Maar de zeerover maakte opnieuw snurkgeluiden en verdween daarna uit het zicht.

Ik begreep er niets van. Er was mij verteld dat de eilandbewoners hun ezels heel slecht behandelden. De arme beesten kregen nauwelijks te eten en almaar slaag. Na een hele tijd zoeken, vond ik het ezelpad naar het dorp en begon ik aan de klim. Het was niet eens zo erg eng maar het duurde wel een hele tijd eer ik boven in het dorp was. Ia bleek een heel leuk dorp te zijn. Het dorp lag aan de binnenkant van een krater. Op Santorini was er duizenden jaren geleden een vulkaanuitbarsting geweest en daarna was er alleen nog maar een randje van het eiland overgebleven.

Op een middag besloot ik het ezelpad naar de steiger af te dalen. In een van de vervallen hutjes, die vlak bij de blauwgroene zee lagen, stond de deur open. In het kale vertrek zat een man aan tafel te eten en naast hem stond een verlegen jong ezeltje dat hij geregeld iets in de mond stopte. Het ezeltje had een pluizig grijs vel, met roze gevoerde, puntige oortjes en amandelvormige ogen met lange wimpers. Toen de man mij in de gaten kreeg, begon hij meteen te lachen en 'iaaaaaa' te roepen. Het was de zeerover! De zeerover maakte een kopje Turkse koffie voor me. Daarna liepen we samen een stukje langs de zee. Het ezeltje liep almaar maar achter de zeerover aan alsof het een hondje was. 'Moeder van ezeltje is dood', zei de zeerover die kennelijk een beetje Duits van de toeristen had geleerd. Uit de zak van zijn smerige jasje haalde hij geregeld suikerklontjes die hij aan het ezeltje voerde waarbij hij het dier zachtjes over zijn fluwelen neus aaide.

'Ik ezelmoeder, ' riep de zeerover en hij begon opnieuw heel hard te lachen.

    • Betty van Garrel