Aansprakelijk

Intrigerend is het verband tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Filosofen, ethici, psychologen en moraaltheologen plegen zich met verantwoordelijkheid bezig te houden. Aansprakelijkheid is voer voor juristen. Voor advocaten vooral. “Namens mijn client sommeer ik u binnen acht dagen na heden... , bij gebreke waarvan ik u aansprakelijk stel voor alle door mijn client geleden en nog te lijden schade ... ”. Wie een onrechtmatige daad pleegt, is aansprakelijk voor de schade die een ander dientengevolge lijdt.

Toch kunnen ook juristen niet zonder het begrip verantwoordelijkheid. Men ziet dat in de eerste plaats in het staatsrecht. “De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk”. Ieder aankomend jurist wordt met deze gespierde, zij het enigszins mystieke tekst geconfronteerd. En dan blijkt het verschil met het civiele recht. Want als zo'n minister zijn verantwoordelijkheid niet waar maakt, als hij - kort gezegd - er een potje van maakt, dan wordt hij niet aansprakelijkheid gesteld voor de geleden schade. Het ergste wat zo'n minister kan overkomen is dat men hem voorzitter maakt van de KRO.

Aansprakelijkheid dus in het civiele recht, verantwoordelijkheid in het staatsrecht. En het ondernemingsrecht? Men pleegt het ondernemingsrecht tot het civiele recht te rekenen maar ik zou willen verdedigen dat men in dit rechtsgebied voor wat betreft de verhouding tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid een heel stuk in de richting van het staatsrecht moet opschuiven. Niet in die zin dat in het bedrijfsleven onschendbare koningen zouden moeten rondlopen. Maar wel in deze zin dat ook in het ondernemingsrecht het onderscheid tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijheid goed in het oog moet worden gehouden.

Wie om de drie weken in de krant kijkt en af en toe een hobbyblad van een van onze ondernemersorganisaties openslaat, weet hoeveel er tegenwoordig over aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen wordt gediscussieerd. De regels zijn aangescherpt, zo weet men elkaar te vertellen. De aansprakelijkheidspolissen gaan als tomaten over de toonbank. Het is een tendens die ook elders in het bedrijfs- en beroepsleven is waar te nemen. De regels voor de produktaansprakelijkheid zijn verscherpt. Milieu-aansprakelijkheid is een serieuze aangelegenheid geworden. En vorige week vrijdag kon de lezer nog op deze plaats vernemen dat 'Brussel' zint op verscherping van de aansprakelijkheid van alle vrije beroepsbeoefenaars. Opmerkelijk is intussen dat er tot dusver weinig bloed is gevloeid. Zelfs in de OGEM-affaire - cause celebre van de afgelopen jaren - is het voor de bestuurders met een sisser afgelopen.

Verschillende redenen zijn er om de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen niet te veel op te blazen. Een soms toepasselijke, formele reden is dat er een zekere overeenkomst bestaat tussen de bestuurder van een overheidsorganisatie en de bestuurder van een (grote) onderneming. Veel verantwoordelijkheid, een auto met chauffeur, soms een badkamer, maar niet meer macht dan de logge moloch aan zijn voeten toelaat. Gelijke gevallen moeten gelijk behandeld worden.

Een tamelijk platte, tweede overweging is dat het economisch nut van verhoogde aansprakelijkheid kan worden betwijfeld. Een stevige veroordeling tot schadevergoeding kan op wraak beluste crediteuren een zekere genoegdoening geven. In sprekende gevallen kunnen ook buitenstaanders daaraan een mooi gevoel van rechtvaardigheid overhouden. Maar rechtseconomen zullen u zonder moeite kunnen voorrekenen dat het grensnut gauw negatief is. Want verhoogde aansprakelijkheid leidt tot risicomijdend gedrag en daar moeten we het in de ondernemingswereld niet van hebben.

Ik gaf al toe dat deze laatste overweging tamelijk plat is. Zij leidt ons niettemin tot een fundamentele vraag. Willen wij een maatschappij waarin iedere fout op geld waardeerbaar en voor afrekening vatbaar is? Of willen wij

maatschappij waarin ruimte wordt gelaten voor eigen verantwoordelijkheid en eigen risico? Voetstoots wordt soms aangenomen dat verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid een natuurlijk paar vormen. 'Wie verantwoordelijkheid draagt moet aansprakelijkheid aanvaarden'. Dat verhoogde aansprakelijkheid automatisch leidt tot een versterkt verantwoordelijkheidsbesef is in deze gedachtengang een gegeven.

Ik denk dat het verband subtieler is. Daarbij behoor ik tot degenen die geloven dat het recht niet wordt gedragen door aansprakelijkheidsregels maar door de eigen verantwoordelijkheid van individuen. Een beetje duwen kan geen kwaad. Maar dan wel van een afstand. Aansprakelijkheidsregels die te dichtbij komen, verstikken het verantwoordelijkheidsbesef en daarmee het recht zelf. Dit geldt in de eerste plaats voor het ondernemingsrecht. Maar bij enig nadenken kan men inzien dat het ook daarbuiten geldt.

Interessant is het te zien hoe het Nederlandse ondernemingsrecht op het beschreven onderscheid inspeelt. Enerzijds verscherpte aansprakelijkheidsregels, anderzijds het enqueterecht dat de mogelijkheid biedt voor een onderzoek naar de gang van zaken in de onderneming en de verantwoordelijkheid daarvoor. Een enquete kan worden gelast door de ondernemingskamer in Amsterdam. Zij kan tot een diepgaand onderzoek leiden, eventueel tot de vaststelling dat er sprake is geweest van wanbeleid en dan tot vervanging van directeuren of soortgelijke maatregelen. Maar de aansprakelijkheidsvraag blijft in het enqueterecht buiten beschouwing. Wie daarop wil doorgaan, moet naar de gewone rechter, die volgens de normale procedure- en bewijsregels beslist.

Een pikante, actuele vraag is in hoeverre de gewone rechter daarbij aan de uitspraak van de ondernemingskamer en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek van de rapporteurs gebonden is. In geen enkel opzicht, zou ik menen. Ondernemingskamer en gewone rechter hebben een heel verschillende taak. De ondernemingskamer en de door haar benoemde rapporteurs mogen zich niet belemmerd voelen door de eventuele consequenties die hun werk zou kunnen hebben voor de aansprakelijkheid van de betrokkenen. De gewone rechter moet zich op zijn beurt niet bezwaard achten door een niet door hem gecontroleerd rapport. Maar juist op dit punt lijkt de OGEM-beschikking van 10 januari 1990 in een andere richting te wijzen. Volgens de Hoge Raad is nog niet uitgemaakt in hoeverre iedere individuele bestuurder aansprakelijk is. Aan deze zin gaat echter een belangrijke uitspraak vooraf. Deze houdt in dat de vaststelling door de ondernemingskamer, dat er sprake is geweest van wanbeleid, voor alle verschenen partijen en belanghebbenden bindend is, ook in andere procedures. Een verkeerde beslissing, zou ik menen, die geen recht doet aan algemene beginselen van behoorlijk aansprakelijkheidsrecht.

    • P. van Schilfgaarde