Vrouwen, depressies en al het ander ongeluk

Depressie is een vrouwenziekte. Twee keer zoveel vrouwen als mannen lijden eraan, een gegeven dat telkens weer terugkomt in studies naar het voorkomen van depressieve klachten. Het gaat hier om de unipolaire variant, dat wil zeggen alleen neerslachtigheid en een algeheel gevoel van in de put zitten; aan de bipolaire variant, het manisch-depressieve syndroom waarbij periodes van euforie en somberheid elkaar afwisselen, lijden mannen en vrouwen in gelijke mate.

Op het ogenblik zijn er naar schatting 7 miljoen vrouwen in de VS met ernstig depressieve klachten. In 1987 werd er door de American Psychological Association (APA) een werkgroep ingesteld die de risicofactoren en de behoeften aan behandeling voor depressieve vrouwen moest vaststellen. Deze werkgroep, The APA National Task Force on Women and Depression geheten, ploegde al het onderzoek en de theorie over het onderwerp door en filtreerde de honderden studies tot een rapport met de smaak van zwaar water: veel empirische gegevens, geen theorie, veel aanbevelingen voor nader onderzoek (Women and Depression. Risk Factors and Treatment Issues. Geredigeerd door Ellen McGrath, Gwendolyn Puryear Keita, Bonnie R. Strickland en Nancy Felipe Russo. APA).

Sekseverschillen

In het medische onderzoek wordt de laatste jaren meer aandacht besteed aan sekseverschillen. Dit heeft een gegronde reden: vrouwen reageren vaak anders op bepaalde medicijnen, omdat bijvoorbeeld hun lichaamsgewicht gemiddeld lager is of omdat hun hormonen anders reageren op de middelen. Wanneer alleen met mannelijke proefpersonen wordt gewerkt in de experimenteerfase van een geneesmiddel, houdt dit voor vrouwen een zeker gevaar in. Goed medisch of sociaal-wetenschappelijk onderzoek neemt de sekseverschillen mee in plaats van ze te negeren.

Toch is er een verschil tussen een studie naar 'vrouwen en cholesterol' en 'vrouwen en depressie'. Het eerste is wetenschappelijk, het tweede ideologisch onderzoek. Men kan vrouwen onderscheiden van mannen, omdat hun lichamen nu eenmaal anders in elkaar zitten en anders werken - dat is legitiem. Maar het is wat anders om alle vrouwen op een hoop te gooien in onderscheid van alle mannen en dit verschil in wetenschappelijke termen te verbinden met een zo diffuus en tegelijk algemeen menselijk verschijnsel als depressie. De twee variabelen, vrouwen en depressie, geven als categorie onderdak aan zoveel uiteenlopende verschijningsvormen dat elke uitspraak die die twee aan elkaar smeedt er eentje wordt van het kaliber groentesoep: altijd goed met water en groente (dondert niet welke).

Biopsychosociaal

Breed opgezette studies als deze hebben de neiging zo ver uit te dijen in hun analyse-eenheden dat de zeggingskracht verloren gaat. De eerste aanbeveling uit de samenvatting illustreert dit al meteen: 'Vrouwen lopen meer risico op depressie door een aantal sociale, economische, biologische en emotionele factoren. Daarom is het noodzakelijk om depressie van vrouwen te onderzoeken vanuit een biopsychosociaal perspectief.' In dit samengestelde bijvoeglijke naamwoord hebben we het hele leven te pakken op de economische verhoudingen na. De aanbeveling kan geparafraseerd worden met 'alles hangt met alles samen' en is in die zin dan ook weinig richtinggevend.

De bevindingen van de Task Force zijn even divers als de factoren die in de literatuurstudie betrokken zijn. Het rapport spreekt zich nogal sterk uit tegen de idee dat depressie biologisch gedetermineerd zou zijn. Het feit dat vrouwen meer aan depressie lijden dan mannen staat los van hun biologische uitrusting, die hen voorbestemt tot menstruatie, zwangerschap, bevalling en menopauze. Toch worden met instemming onderzoeken over premenstruele spanningen (pms) en postpartum depressie (ppd) geciteerd.

Onvruchtbaarheid is een grote risicofactor. Uit een onderzoek onder 200 echtparen met vruchtbaarheidsproblemen bleek dat 40 procent van de vrouwen kinderloosheid beschouwt als de meest schokkende ervaring van hun leven. Depressieve klachten onder onvrijwillig kinderloze vrouwen komen dan ook veelvuldig voor (oplopend in een onderzoek tot 97 procent van de onderzochten).

En hoe zit het met de mannen? Over hen worden geen cijfers verstrekt, terwijl zij waarschijnlijk ook lijden onder deze levenstegenslag. Maar de seksen hebben een verschillende stijl van omgaan met moeilijkheden. Vrouwen zijn meer geneigd tot passieve en afhankelijke gedragspatronen en pessimistische gedachten die blijven rondcirkelen om het probleem, terwijl mannen een beheersingsstrategie ontwerpen, iets ondernemen of zich eenvoudig van het probleem afwenden. Vrouwen blijven bij de pakken neerzitten en mannen doen iets of verzinnen een list, daar komt het op neer.

Dit verschil in cognitieve stijl is tamelijk hardnekkig en wordt door de Task Force teruggevoerd op een verschil in opvoeding en op de verschillende culturele sjablonen die gelden voor jongens en meisjes, c.q. mannen en vrouwen.

Niet al te verantwoordelijk

Vrouwen zijn minder gehaaid dan mannen in het defensiemechanisme van de ontkenning. Zo bleek uit een onderzoek onder ongelukkige huwelijken dat drie keer zoveel vrouwen als mannen depressief waren. Verder steeg de depressiviteit naarmate het aantal kinderen toenam en de kinderen jonger waren.

Andere belangrijke oorzaken voor depressie van vrouwen waren lichamelijk geweld en seksueel misbruik. En niet te vergeten armoede. De Task Force wijst de risicogroepen aan: vrouwen die behoren tot etnische minderheden, oudere vrouwen, verslaafde vrouwen, lesbische vrouwen en vrouwen met veeleisende banen. Onder deze laatste groep schijnt meer zelfmoord voor te komen.

Het opsommen van die uiteenlopende risicogroepen die van elkaar onderscheiden worden door sociologische criteria heeft iets benauwends. Het lijkt erop alsof een vrouw blank, jong, rijk en heteroseksueel moet zijn en een niet al te verantwoordelijk baantje moet hebben om aan de klauwen van de depressie te kunnen ontkomen.

Het gedeelte over behandelingsmethoden (medicijnen, psychotherapieen of een combinatie van beide) is weinig verhelderend. Dat kan ook niet anders, want er zijn teveel verschillende psychofarmaca, teveel verschillende psychotherapieen, en uiteindelijk teveel verschillende soorten van depressie om met enige vrucht te kunnen generaliseren. Het effectiviteitsonderzoek van anti-depressiva op lichamelijk en geestelijk gebied is een zee om in te verdrinken. Elke nieuwe depressie-patient kan niet anders dan met vallen en opstaan behandeld worden.

Dit werpt meteen de vraag op waarom er uberhaupt een sectie 'Behandelingsmethoden voor vrouwen met depressie' is opgenomen in het rapport. Het probleem met het begrip 'depressie' zoals het in dit onderzoek wordt gehanteerd is dat al het ongeluk eronder valt. Misschien komt dit doordat het onderzoek door psychologen is verricht. In de psychiatrie wordt gewoonlijk de term 'depressief' gereserveerd voor mensen die neerslachtig zijn zonder aanwijsba re oorzaak. Er staan dan twee wegen open voor de behandelend psychiater: ingrijpen in de hormoonhuishouding of een psychische queeste beginnen. Beide methodes kunnen nuttig zijn, maar niets staat van tevoren vast.

Anders ligt het, wanneer iemand lesbisch of zwart is en niet geaccepteerd wordt door haar omgeving, of wanneer een vrouw door haar man in elkaar geslagen wordt, of geen geld heeft om kleren voor de kinderen te kopen, of oud en eenzaam is, of aan de alcohol, of een ongelukkig huwelijk heeft, of een vreselijke werkomgeving. Die vrouwen zijn niet depressief, die zijn ongelukkig, wat een belangrijk nuanceverschil is in het licht van de toenemende medicalisering en therapeutisering. De depressiviteit is dan een - begrijpelijk - gevolg van minder prettige omstandigheden, waarin vrouwen zich bevinden.

De meeste aanbevelingen die het rapport doet liggen merkwaardig genoeg op het vlak van de symptoombestrijding. Wat is het nut van 'depressieve vrouwen aanmoedigen om effectieve consumenten van psychotherapeutische diensten te worden' behalve dat de APA zich op die manier meer clienten verwerft? Waarom zou het openbaar onderwijs zich moeten bezighouden met het 'destigmatiseren van depressie en medicijngebruik? ' Alsof het de normaalste zaak van de wereld zou zijn om pillen te slikken tegen de onvrede.

Botsingskans

Vrouwen hebben het moeilijker dan mannen. Er is geen sociaalwetenschappelijk onderzoek voor nodig om dat te bewijzen, dat kun je zo wel zien. Dat komt doordat vrouwen sterker dan mannen in meerdere sferen leven: verzorging en werk. Als er geen werk is, zijn er vaak verschillende verzorgingen (bijvoorbeeld kinderen en ook nog bejaarde ouders of familieleden). Die verschillende sferen verhogen de botsingskans met onplezierige gebeurtenissen.

Vrouwen schijnen zich het leed van hun naasten meer aan te trekken dan mannen dat doen. Armoede wordt door vrouwen pijnlijker ervaren dan door mannen, omdat ze in de meeste gevallen kleine kinderen om zich heen hebben. Gescheiden mannen gaan er financieel meestal op vooruit, gescheiden vrouwen juist achteruit. Daarbij komt dat vrouwen fysiek zwakker zijn, dus in dat opzicht meer van mannen te duchten hebben dan andersom.

Toch kunnen die verschillende sferen niet alleen maar nadelig zijn. De botsingskans met gebeurtenissen in het algemeen wordt verhoogd, dus ook met plezierige. Hoewel vrouwen meer depressieve symptomen vertonen dan mannen, blijven ze er wel taaier onder. Ook in de economisch zwakke milieus hebben vrouwen een langere levensverwachting dan mannen. Vrouwen lijden aan het leven, mannen sterven eraan.