Traumatiserend gesol met de Lieverdje-foto

Het is alsof het nooit meer ophoudt. Nu net nog, verschijnt er in de serie historische tijdschriften over Amsterdam een aflevering over de erotiek en weer staan die foto's van hem erin, zonder naamsvermelding of betaling: de blote Phil Bloom bij het Amsterdamse Lieverdje op pagina 18 en de iets minder bekende kiek van die twee blote meisjes op de Dam pontificaal op de achterpagina. Zo is het de afgelopen twintig jaar voortdurend gegaan, hij komt er blijkbaar nooit meer vanaf. En dan te bedenken, dat er heel wat mensen rondlopen die denken dat hij er in de loop der jaren een alleraardigste inkomstenbron aan heeft gehad. Vergeet het maar, wie er ook aan hebben verdiend - hij nauwelijks.

Peter Dicampos heeft zich in zijn Haarlemse flat omringd met documenten betreffende 'die ene foto', die de vleesgeworden jaren zestig mag heten. Hij was bediende in een boekhandel geweest, diende daar in 1965 zijn ontslag in, kocht van zijn laatste salaris een camera en besloot zich in het destijds bruisende tijdsgewricht te storten. In februari 1967 plaatste hij in Vrij Nederland een advertentie: fotograaf zoekt fotomodel voor naaktkunstfoto's - zo noemde men dat toen nog. Uit de reacties koos hij die van Phil Bloom, die een half jaar later kortstondige wereldfaam zou verwerven door bloot te verschijnen in het VPRO-programma Hoepla. Op de vroege zondagochtend van 16 maart 1967 togen fotograaf en model naar het Spui te Amsterdam, waar het beeldje van het Lieverdje het symbool van de ludieke opstandigheid vormde. Zij trok haar ochtendjas uit en hij had binnen enkele minuten de gewenste foto's gemaakt.

“Er waren nogal wat voorbijgangers”, vertelde Phil Bloom later dat jaar, toen ze inmiddels beroemd was geworden, aan een verslaggever van Het Vrije Volk. “Heel gek. Ze schrokken, maar er waren ook mensen die gewoon doorfietsten alsof er niks aan de hand was. Dan keken ze wel eventjes, maar dan fietsten ze rustig door. En dan was er een taxichauffeur, die was waarschijnlijk aan het schakelen; dat deed hij niet goed, die auto begon opeens verschrikkelijk te schokken. En de tram kwam voorbij, maar toen was ik net klaar.” Het was, voegde ze eraan toe, niet veel meer dan een aardigheidje geweest. Men moest er verder niet te zwaar aan tillen; al die ophef over haar naaktheid begon haar eerlijk gezegd al danig de keel uit te hangen.

Dicampos publiceerde het resultaat allereerst in het roemruchte blad Gandalf, waarvan de meeste nummers door de erotische inhoud slechts op kleine schaal konden worden gedistribueerd. Daarna zocht hij verdere exploitatiemogelijkheden. Hij liet 3.000 prentbriefkaarten en legpuzzels drukken en trachtte die vergeefs te verkopen aan de AKO, de grootste kioskonderneming van het land. Ook elders had hij moeite met de verkoop. Ten slotte gaf hij het op en droeg het “vermenigvuldigingsrecht” over aan de toenmalige uitgeverij Thomas Rap, die in ruil daarvoor onder meer zijn openstaande rekening bij de drukker betaalde. Voorzover Rap zich dat nu nog herinnert, heeft hij toen de bestaande kaarten verkocht. “Maar er was een grotere verspreiding nodig en daar waren wij als kleine boekenuitgever niet voor geequipeerd.” In 1969 slaagde Rap erin de rechten - inclusief de originele dia - voor 1500 gulden over te dragen aan de AKO; rijk is hij er naar eigen zeggen dus niet van geworden.

Daarmee was het lot van Dicampos bezegeld. Naar een deep throat binnen de AKO hem meedeelde, heeft het bedrijf er vooral gedurende de jaren zeventig twee miljoen affiches en prentbriefkaarten van verkocht: “Houd het daar maar op. Die zijn gedrukt en verkocht.” Als hij bij de toenmalige bedrijfsleiding aanklopte, kreeg hij te horen dat men de rechten op het fotomateriaal in handen had en dus niet kon worden verplicht tot het afdragen van royalties aan de fotograaf. Zelfs zijn naam kwam op de affiches en kaarten niet voor. Maar waarom heeft hij toen niet geprocedeerd?”Daar had ik geen geld voor. En sociale advocatuur voor dit soort zaken had je toen nog niet.”

De voortdurende confrontatie met zijn ontvreemde geesteskind leidde bij Dicampos tot een trauma, waarvoor hij een psychiatrische behandeling heeft moeten ondergaan. Tot werken kwam hij nauwelijks meer.

In 1977 spande Phil Bloom een kort geding aan tegen de AKO. Zij was de verkoop van haar ranke gestalte beu, omdat die haar zou belemmeren in het opbouwen van een serieuze reputatie als beeldend kunstenares. De president van de Amsterdamse rechtbank zei zich te kunnen voorstellen dat het “minder prettig” voor haar was, maar was er niet van overtuigd dat ze schade leed. Haar eis - stopzetten van de verkoop - werd niet toegewezen. De kaarten bleven in de handel, zonder dat fotograaf en model er financieel voordeel van hadden.

De zaak bleef hem achtervolgen, totdat Dicampos vorig jaar de relevante documenten uit het AKO-archief in handen kreeg. Hij las over de overdracht van de vermenigvuldigingsrechten en trok daaruit de - tot dusver onweersproken - conclusie dat het copyright nog steeds van hem was. Of hij alsnog een claim bij de AKO zal indienen, weet hij nog niet. De directie van nu is die van toen niet meer. Maar hij kwam in contact met de succesvolle prentbriefkaartenuitgeverij Art Unlimited, die hem opdracht gaf enkele nieuwe foto's te maken en bovendien bereid was het beroemde “lieverdje bij het Lieverdje” in haar assortiment op te nemen. Voor het eerst staat nu zijn naam achterop die foto: copyright Peter Dicampos 1990. “Ik heb mijn vaderschap teruggekregen”, zegt hij, “en het is alsof er daardoor een steen uit m'n kop is gehaald. Ik ben af van dat eeuwige trauma.”

Welgemoed heeft hij nu de firma Waanders, uitgever van de serie Amsterdam, als de dag van gisteren, gedreigd met juridische stappen als hem geen fatsoenlijke genoegdoening wordt geoffreerd voor het gebruik van zijn werk. Hij kan zich er nog wel over opwinden, maar het trauma is voorbij. Die foto is weer van hem.

foto: De gewraakte foto van Phil Bloom bij het Amsterdamse Lieverdje

Foto Peter Dicampos

Fotograaf Peter Dicampos

    • Henk van Gelder