Promovendus weerlegt 300 jaar oude theorie over pupilvernauwing

In medische leerboeken staat al honderden jaren lang een fysiologisch feit vermeld, dat onjuist is. Wanneer men een klein voorwerpje bekijkt en tegelijkertijd naar het oog toebeweegt, zouden de pupillen zich vernauwen. En wanneer men het van zich afbeweegt, zouden ze zich weer verwijden. De waarneming gaat terug tot de zeventiende-eeuwse filosoof C. Scheiner, die haar in 1652 beschreef. Sindsdien is ze van leerboek op leerboek overgeschreven en wordt ze onderwezen aan adspirant-artsen over de gehele wereld. Op grond ervan neemt men aan dat de twee fysiologische verschijnselen, scherpstellen van de lens (accomodatie) en vernauwing van de pupil (pupilconstrictie), neurologisch gecorreleerd zijn, dat wil zeggen afhankelijk van een en dezelfde prikkel uit de hersenen.

Die theorie kan naar de prullenbak worden verwezen, nu duidelijk is geworden dat de waarneming niet klopt. Ze is weerlegd door de Fries Maurits Stakenburg, die op dit resultaat onlangs aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveerde. Stakenburg werkte eind jaren zeventig als technicus in het Groningse Diaconessen Ziekenhuis, waar hij verantwoordelijk was voor oogfysiologische onderzoeksapparatuur. Het viel hem op dat bij proeven waarbij patienten afwisselend op een veraf en een dichtbij beeld moesten scherpstellen, de pupilwijdte niet varieerde, in tegenspraak tot wat in de leerboeken vermeld staat.

De onverwachte observatie leidde tot een promotie-onderzoek waarin het ontbreken van enig effect op de pupilwijdte onder strenge experimentele condities werd gereproduceerd. De ontdekking zal naar Stakenburg verwacht 'het nodige teweeg brengen in de oogfysiologie', omdat ook andere aannames hiermee op losse schroeven komen te staan. (UK, 20 dec.)