Overzicht werk van ten onrechte vergeten schildersechtpaar Bouten-Korevaar; Een wereld vol met schonkige katten

Tentoonstelling: Armand Bouten en Hanny Korevaar, een nieuw licht op het Nederlands expressionisme. T-m 13-1 Gemeentemuseum De Wieger, Oude Liesselseweg 29, Deurne (Noord-Brab.); ma t-m zo 13-17 uur; Cat. fl. 25, 00.

Pervers, decadent en griezelig noemde tekenaar en kunstcriticus Cornelis Veth in 1922 de schilderijen en gouaches van het Nederlandse kunstenaarsechtpaar Armand Bouten (1893-1965) en Hanny Korevaar (1893-1983). Wie in het gemeentemuseum De Wieger in Deurne naar de expositie van hun amper bekende werk gaat kijken, kan zich voorstellen dat het voor Nederlandse begrippen felle expressionistische werk van beiden begin deze eeuw inderdaad schokkend was. Of 'griezelig'. Maar pervers of decadent - nee. Het thema van Bouten en Korevaar was, zoals in De Wieger te zien is, vooral het troosteloze, decadente leven in de grote stad, zoals het dat voor meer kunstenaars uit het begin van deze eeuw was, zoals de expressionist Kirchner, en kritische kunstenaars als Grosz en Dix.

Langgerekte, hologige hoeren, opgejaagde heren met verwrongen groengele gezichten, schonkige katten en trieste zigeunerinnen en negerinnen bevolken de caf'e's, bordelen, kamers en kille straten die Bouten en Korevaar schilderden.

Niet bekend

Bouten stierf vergeten in Amsterdam in 1965, en zijn vrouw moest in 1972 van de Gemeentelijke Sociale Dienst werk van haar en haar man veilen (bij een inboedel-veilinghuis) om nog wat geld voor een verzorgingsflat te krijgen. Musea die ze benaderde waren niet in het werk geinteresseerd. Honderden tekeningen en schilderijen, beelden en gedichten kwamen bij kunsthandelaren en particulieren terecht.

Dat het werk van beide kunstenaars ten onrechte vergeten is, maakt de tentoonstelling in het gemeentemuseum De Wieger, dat zo'n honderd werken bijeenbracht, duidelijk. Uit vrijwel ieder werk op de expositie spreekt de begaanheid met het menselijk lot. Zoals het ware expressionisten betaamt willen Bouten en Korevaar het lelijke, naakte bestaan tonen. Het treffendst (en paradoxaal genoeg ook het mooist) doen ze dat wat mij betreft in de kleine kleurige gouaches die ze tijdens het vele reizen zo tussen 1925 en 1930 maken. Met name die reizen die Marseille, Parijs en Amsterdam (de hoeren in de Pijp bijvoorbeeld) tot onderwerp hebben. Ze paren schrilheid aan een zekere losheid - de grimmige, maskerachtige koppen van de figuren krijgen iets overtuigends, en de kleuren, giftig violet, rose, blauw en somber bruin, zijn prachtig.

Ze sluiten goed aan bij de gedichten die Bouten maakte, waarvan in de zeer informatieve catalogus een aantal (uit het Frans vertaald) zijn opgenomen. Ook die gedichten hebben vaak de stad of hoeren tot onderwerp, zoals bijvoorbeeld Het Spook, waarin de regels 'een spook, in helgeel uitgedost, - een grimas, - perverse purperen lippen, - omzomen de verrotte tanden, - een stinkend, vuil gat.'

Veel minder somber maar eerder esthetisch zijn de 'primitieve' poppen die Bouten van afvalhout en nepdiamanten maakte. De estheet, het dandy-achtige in hem komt naar voren in de getoonde foto's van het Parijse atelier, dat zeer zorgvuldig is ingericht met door Bouten zelf ontworpen meubels. Je ziet ook de bloemen en poezen terug op de foto's, die in sommige schilderijen als enige nog hoop en onbedorvenheid lijken te symboliseren.

De kracht van deze zorgvuldig opgezette expositie in De Wieger over Bouten en Korevaar is, dat je er nieuwsgieriger vandaan komt dan je er kwam. Je wilt, meer weten over dit raadselachtige kunstenaarsduo. Waarom accepteerden ze bijvoorbeeld niet de uitnodiging voor een expositie in Berlijn in 1924 van de pleitbezorger van de Duitse Brucke-expressionisten, Herwart Walden? En wat was de invloed van Chagall, die ze in Parijs ontmoetten, op beide kunstenaars?