Onderwijsbonden sluiten een slecht decennium af

Het gaat weer beter met de meeste vakbonden in het onderwijs. De zware klappen die ze in de jaren tachtig opliepen, zijn ze goeddeels te boven. Bij een enkele bond stijgt het aantal leden zelfs weer. Het ledental uit het begin van de jaren tachtig is echter nog lang niet in zicht.

Het onderwijs kent vier algemene bonden voor personeel. Daarnaast bestaan er gespecialiseerde verenigingen voor bijvoorbeeld schoolleiders en gymnastiekleraren. Jonge leerkrachten, verenigd in de actiegroep de Nahossers, vinden dat de bestaande bonden hun belangen onvoldoende behartigen. Zij zijn de mogelijkheden van een eigen bond aan het onderzoeken.

De bestaande organisaties zijn op een na verdeeld over de zuilen die kenmerkend zijn voor het Nederlandse onderwijsbestel. De grootste onderwijsvakorganisatie is de Algemene Bond van Onderwijs Personeel (ABOP) met ongeveer 45.000 leden. Na de 47.000 uit 1983 zette een diepe daling in, tot dicht in de buurt van de 40.000 midden jaren tachtig. Nu de werkgelegenheid is aangetrokken en er minder wordt bezuinigd, neemt het ledental weer toe. Meer dan de helft van de leden komt uit het basisonderwijs. Ook heeft de ABOP veel aanhang in het lager beroepsonderwijs.

De ABOP kwam voort uit een fusie vlak na de oorlog van twee organisaties die allebei sterk vertegenwoordigd waren in het openbaar onderwijs: het links-liberale Nederlands Onderwijzersgenootschap en de socialistische Bond van Nederlandsche Onderwijzers. Van deze laatste organisatie was de schrijver Theo Thijssen in de jaren dertig enige tijd voorzitter.

Het aantal leden van de Katholieke Onderwijs Vakorganisatie (KOV) daalt nog steeds. Waren dat er tien jaar geleden nog zo'n 50.000, vorig jaar telde de organisatie rond de 36.800 leden. Nu zijn dat er 35.400. De KOV ontstond uit een reeks samenvoegingen van katholieke vakorganisaties uit de diverse bisdommen. De laatste vond begin jaren tachtig plaats. Net als de ABOP heeft de KOV de meeste aanhang in het basisonderwijs. De katholieke bond is aangesloten bij het CNV.

De andere CNV-bond is de protestants-christelijke onderwijsorganisatie PCO met zo'n 17.000 leden. Dat waren er begin jaren tachtig nog ongeveer 23.000. Dit jaar stabiliseerde het aantal leden zich voor het eerst. Ook deze bond komt voort uit een reeks fusies van christelijke verenigingen in de diverse schooltypen. De geschiedenis van deze onderwijsorganisatie gaat terug tot de Vereniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen in Nederland en de Overzeese Gebiedsdelen die in 1854 werd opgericht.

Het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) is in zoverre een buitenbeentje dat het niet aan een specifieke zuil is gebonden. Ook bevindt zijn aanhang zich merendeels in het voortgezet onderwijs en neemt het onderwijskundig gezien een behoudender positie in dan de andere bonden. Waar ABOP, PCO en KOV de middenschool ingevoerd zouden willen zien, laat het NGL liever de huidige structuur intact. Het NGL telt 22.000 leden waarmee de gestage groei van het ledenbestand van de laatste jaren wordt voortgezet.