Nederland wedde met industriebeleid op verkeerde paard

Innoveren en Concurreren, technologie als motor van de economische groei. Auteurs: Maria Brouwer en Lex van der Does de Willebois. Uitgever: Academic Service, Schoonhoven. Prijs 29, 90 gulden. ISBN 9052610150.

Sinds het grootste deel van de geindustrialiseerde wereld, Nederland incluis, afscheid nam van het Keynesiaanse denken, is de internationale concurrentiepositie van ons land er niet bepaald op vooruitgegaan. Nederland ruilde zijn industriepolitiek in het begin van de jaren tachtig in voor een beleid waarin stimulering van de technologische ontwikkeling centraal staat.

Maar dat technologiebeleid is mistig en beantwoordt nauwelijks aan zijn doel. De groei van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling blijft achter bij andere Westerse landen; in de internationale concurrentiestrijd verliest ons land steeds meer terrein, niet alleen aan de grote industriestaten, maar ook aan nieuwkomers als Korea en Taiwan; en als het zo doorgaat, dreigen we af te zakken naar de positie van tweederangsnatie.

In hun boek Innoveren en concurreren ondernemen de Amsterdamse economen Maria Brouwer en Lex van der Does de Willebois een poging deze bijna clichematige stellingen die zo uit de mond van een politicus zouden kunnen komen, nu eens daadwerkelijk te onderbouwen. Ze haken in hun analyse aan bij de gedachten van de Oostenrijkse econoom Schumpeter (1883-1950), die de laatste jaren opnieuw in de belangstelling raakt, omdat hij als een van de eersten - dat wil zeggen: al in de jaren dertig en veertig - de rol van de techniek in het economisch proces centraal stelde.

Schumpeter zag vijf soorten van innovaties: de ontwikkeling van nieuwe produkten, de inzet van nieuwe produktie- en distributiemethoden, de ontdekking van nieuwe hulpbronnen, het openleggen van nieuwe afzetmarkten, en de invoering van nieuwe organisatievormen. Kenmerkend voor innovaties was volgens hem dat ze tot stand komen door nieuwe investeringen, gepleegd door nieuwe ondernemingen, die zijn opgericht door nieuwe entrepreneurs. Alleen zij hebben iets te winnen bij technologische vernieuwing - niet alleen geld, maar vooral ook een verbetering van hun status. Voor bestaande ondernemers geldt dat in veel mindere mate. Die zullen dan ook alleen tot het plegen van innovaties overgaan onder druk van de concurrentie. Het heil van de economische vooruitgang, met innovatie als motor, moest volgens Schumpeter dus vooral van de startende ondernemer worden verwacht, en niet van de grote concerns, die juist in zijn tijd sterk aan invloed wonnen. Waar Keynes vraaguitval als een belangrijke oorzaak van economische crises zag, meende Schumpeter dat vooral het ontstaan en verdwijnen van bedrijven de gang van het conjunctuurproces beinvloeden.

Daarin heeft de Oostenrijker, die vele jaren in de VS doceerde en studeerde, volop gelijk gekregen, vinden Brouwer en Van der Does. De jaren zeventig hebben immers aangetoond dat de Keynesiaanse benadering faalde. Overheden in vele landen concentreerden zich op het dempen van de vraaguitval door het opvoeren van de overheidsbestedingen en het steunen van noodlijdende bedrijfstakken. Dat beleid hielp een tijdje, maar het kon de crisis van begin jaren tachtig niet voorkomen. Juist toen trad het proces dat Schumpeter had voorzien met volle kracht in werking: creatieve destructie, ofwel het verdwijnen van verouderde bedrijven en bedrijfstakken, gevolgd door de opkomst van nieuwe, technologisch vooruitstrevende ondernemingen.

De grote maatschappelijke winst van technologische vooruitgang zit 'em vooral in de diffusie van de nieuwe technologieen, menen de Amsterdamse economen in navolging van Schumpeter. De ontwikkelingen in de halfgeleider-industrie bij voorbeeld laten zien dat Europa juist op dit punt de boot heeft gemist. Europese ondernemingen zagen te laat in dat de transistor en de chip een enorm commercieel potentieel bezaten; de Europese regeringen schermden hun nationale ondernemingen teveel af van buitenlandse concurrentie, zodat zij zich lange tijd niet gedwongen voelden zich op deze nieuwe technologie te storten; en bovendien heerste in geen van de Europese landen - Groot-Brittannie uitgezonderd - een gunstig klimaat voor het ontstaan van nieuwe bedrijven.

In de Verenigde Staten was dat klimaat er wel. Bovendien werd de halfgeleiderindustrie daar gestimuleerd door een sterke vraag vanuit de militaire en de computerindustrie. Uiteindelijk hebben veel Amerikaanse chipfabrikanten het moeten afleggen tegen de agressieve prijspolitiek van de Japanners, maar de Amerikaanse samenleving als geheel heeft sterk geprofiteerd van de wijze waarop de chiptechnologie via allerlei kleinere ondernemingen doordrong tot alle branches en sectoren.

Voor de computerindustrie geldt ongeveer hetzelfde beeld: ook daar zijn de vernieuwingen - zoals de personal computer - bedacht door jonge entrepreneurs, hoewel in dit geval ook sommige grote bedrijven snel hebben ingehaakt op nieuwe ontwikkelingen en er in bepaalde gevallen, zoals IBM met de PC, zelfs mee aan de haal gingen.

Wat Nederland betreft menen Brouwer en Van der Does dat het ministerie van economische zaken in het begin van de jaren tachtig terecht inzag dat de economische crisis moest worden aangepakt door de technologische ontwikkeling te stimuleren. Het probleem is alleen: de technologiesubsidies zijn grotendeels bij de grotere bedrijven terechtgekomen, terwijl het midden- en kleinbedrijf (MKB) - waar de Schumpeteriaanse entrepreneur juist te vinden is - voortdurend onderbedeeld bleef. Van alle 'technologie relevante uitgaven' van de overheid, in 1990 circa 2, 7 miljard gulden, valt slechts 284 miljoen aan directe subsidies exact te achterhalen, becijferden de Amsterdamse economen. Van dit kleine bedrag komt bovendien maar een deel bij het MKB terecht. De rest van de 2, 7 miljard wordt besteed aan scholing, en gaat naar onderzoeksinstituten, naar internationale programma's, en naar grote ondernemingen zoals Philips. De exacte omvang van deze laatste bedragen blijft om strategische redenen geheim.

De subsidies komen niet alleen op de verkeerde plaats terecht, ze hebben bovendien niet geleid tot het ontstaan van voldoende nieuwe, innovatieve ondernemingen. Het is ook de vraag of subsidies daar wel het meest geeigende middel voor zijn. Brouwer en Van der Does menen dat het beter zou zijn het vrijkomen van venture kapitaal te bevorderen en de fiscale regimes voor startende ondernemers en particuliere investeerders te versoepelen.

Nederland heeft op het verkeerde paard gewed, vinden beide onderzoekers. Het stimuleren van innovatie had moeten plaatsvinden via de Schumpeteriaanse weg, door een veel krachtiger bevordering van het ontstaan van nieuwe bedrijven. In plaats daarvan koos ons land voor een beleid van loonmatiging. Terwijl andere landen een technologische sprong voorwaarts maakten, bleef hier het innovatieproces achter, en probeerden we ons aandeel in de wereldhandel op peil te houden via het verlagen van de exportprijzen. Het gevolg is dat we in toenemende mate moeten concurreren met opkomende industriestaten in Azie en Zuid-Amerika, die steeds beter in staat zijn goederen van hetzelfde, relatief laagwaardige technologische gehalte te produceren als wij. Dergelijke landen hebben bovendien een sterk comparatief voordeel, omdat hun loonpeil altijd lager ligt dan het Nederlandse. De jaren tachtig hebben geleerd dat juist de landen met zowel een stijgend reeel loonpeil als een grote werkgelegenheidsgroei de beste economische prestaties leverden, zeggen Brouwer en Van der Does. De kern van dit succes zit, nogmaals, in de aanwas van nieuwe ondernemingen en in het creeren van een dynamisch klimaat waarin opnieuw ruimte ontstond voor de rentree van Schumpeters '19e eeuwse entrepreneur'.

    • Marcel Metze