Het terra incognita der Bataks opengelegd

Tentoonstelling: Batak Indonesie. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden; t-m 13-4.

De Bataks zijn de oorspronkelijke bewoners van het berggebried rond het Tobameer in het noorden van Sumatra. Hoewel Nederlanders en Engelsen al sinds het midden van de zeventiende eeuw handelsposten hadden op de westkust van Sumatra heeft het tot het midden van de vorige eeuw geduurd, voordat er sprake was van contact tussen hen en de bewoners van het binnenland. Tot dat moment was het centrale deel van hun grondgebied hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Westerlingen, maar ook andere lokale stammen, riskeerden hun leven bij pogingen dit gebied te betreden. Met name het Tobameer, dat in de religie van de Bataks een centrale rol speelde, was tot aan het einde van de vorige eeuw nog nooit door andere dan Batak-ogen aanschouwd.

In het zuiden van het Batakgebied oefende de Nederlandse koloniale macht sinds 1855 al wel enige controle uit. In dat jaar namelijk maakte een militaire eenheid een einde aan de onderlinge twisten in het gebied van de Mandailing en de Angola. Het centrale hoogland waar vooral de Toba en de Karo leefden bleef echter terra incognita. Dat was voor een groot deel ook te wijten aan het gerucht van kannibalisme dat over hen de ronde deed.

De eerste westerlingen, die toch vanuit de smalle kuststrook een poging waagden het bergachtige binnenland in te trekken waren Duitse missionarissen van de Rheinische Mission. In het spoor van deze zendelingen volgden al snel Duitse handelaren en rond 1900 wordt het gebied van de Bataks definitief bij het Koninkrijk der Nederlanden ingelijfd.

De tentoonstelling die nu in Leiden te zien is toont voornamelijk voorwerpen die verzameld zijn in de periode van het eerste contact tussen Europeanen en de Bataks. Objecten die aan het einde van de vorige eeuw via Duitse zendelingen en handelaren in Europa zijn terechtgekomen. De tentoonstelling werd samengesteld door het Lindermuseum in Stuttgart, waar het grootste deel van dit materiaal wordt bewaard. Het is aangevuld met voorwerpen uit andere Duitse collecties en voor de gelegenheid gecompleteerd met een aantal topstukken uit de eigen collectie van het Leidse museum. Alle objecten zijn van een zeer hoog gehalte, zowel uit cultureel als uit artistiek oogpunt gezien.

Zoals in bijna alle etnografische tentoonstellingen ligt nogal wat nadruk op de religieuze aspecten van de cultuur, in dit geval de dodencultus, het geloof in de verschillende geesten en de magie. Er worden een aantal prachtige benen en ivoren amuletten getoond, voorzien van spreuken en bezweringen. Opvallend zijn ook de, met de dodencultus geassocieerde bootjes, voorzien van de kop van een neushoornvogel en prachtig versierd. Maar ook schitterende maskers en kunstig gesneden standbeelden die dienden om de boze geesten af te weren.

Opvallend is wel dat er geen voorwerpen te zien zijn, die direct geassocieerd kunnen worden met het kannibalisme van de Bataks. Want ondanks dat de berichten daarover in het westen altijd schromelijk zijn overdreven, heeft het rituele kannibalisme toch een belangrijke plaats ingenomen in de Batakcultuur. Blijkbaar is alles wat daarmee te maken heeft gehad onder invloed van het christendom definitief verdwenen.

Op de tentoonstelling wordt slechts hier en daar, door middel van een bijgevoegd tekstje verwezen naar het heden. In het boek vormt juist het heden een belangrijk onderdeel, foto's uit het begin van deze eeuw worden afgewisseld met recente opnames. Daaruit blijkt onder andere dat, hoewel de Bataks voor het grootste gedeelte zijn overgegaan tot het christendom, bepaalde oude religieuze gebruiken nog steeds voortleven.

Zo wordt bijvoorbeeld de traditie om de lichamen van de overledenen na verloop van tijd opnieuw op te graven, om de botten daarna geheel gereinigd opnieuw te begraven of te verbranden, ook nu nog op grote schaal toegepast.

    • Joost Vermeulen