HANGENDE WAGENS; De schijn bedriegt

Het totaal van bodemvondsten en reliefafbeeldingen van wagens uit de Romeinse keizertijd leidt tot de algemene conclusie dat er bij een gedeelte van de reiswagens die toen in gebruik waren, de wagenbak aan riemen of koorden was opgehangen. Jammer genoeg is er ook maar niet een afbeelding of bodemvondst die zo compleet is dat we volledige informatie bezitten hoe de complete ophanging in dat speciale geval gerealiseerd was. We worden gedwongen gegevens van verschillende bodemvondsten en afbeeldingen met elkaar te combineren, terwijl het allerminst vast staat dat er maar een enkel systeem van ophanging in gebruik was. De kans dat we bij dit combineren fouten maken is dus niet te verwaarlozen.

Een detailkwestie illustreert dit duidelijk. Op het eerder besproken relieffragment van Arlon is te zien hoe het koord waar de wagenbak aan hangt uit een stuk bestaat, en over de ophanghaken om het cilindrische middendeel van het opzetstuk is geslagen. Het is niet verwonderlijk dat dit systeem is overgenomen bij reconstructies van dergelijke wagens, bijvoorbeeld bij de overigens bewonderenswaardige reconstructie uit 1978 van de wagen die in 1888 bij Somodorpuszta werd gevonden.

Maar de Duitse archeoloog Roring merkte in 1983 op dat de slijtagesporen die in dit geval te zien zijn aan de bronzen opzetstukken er eenduidig op wijzen dat twee afzonderlijke koorden of riemen zijn gebruikt, aan weerszijden een: de reconstructie is dus wat dit detail betreft, onjuist.

Half vol aarde

Dat van elk ophangpunt twee riemen of koorden omlaag gingen naar de wagenbak schijnt overigens wel een algemeen kenmerk van deze wagens te zijn geweest. We kunnen dat bijvoorbeeld concluderen uit de schets die Venedikov maakte tijdens de opgraving van de opgehangen wagen van Siskovci in 1958. De opgraving was toen gevorderd tot ongeveer de hoogte van de wagenassen; alleen de metalen onderdelen van de wagen werden in de aarde aangetroffen, alle houten onderdelen waren vergaan.

Het is eigenlijk verbazingwekkend dat de metalen onderdelen nog in ongeveer dezelfde positie werden aangetroffen die ze innamen toen de wagen in het graf werd gesloten. De grafkamer moet al half vol aarde hebben gestaan toen het vergane houten dak ervan instortte.

Aan de buitenzijde van de wagen zien we vier ijzeren hoepels van de velgen half uit de aarde steken. In de buurt ervan werden de bronzen opzetstukken aangetroffen, die in dit geval van het type waren zonder centraal middendeel tussen de haken. De houten standaards waar ze op stonden waren kennelijk niet beslagen, en daar is dus niets van overgebleven.

Zwenknagel

Bijzonder bij deze vondst was het ijzerbeslag van de vier dwarsbalken onder de wagenbak, waaraan in totaal acht ogen waren bevestigd. Dit is wat we zouden verwachten op grond van de ophanging die het relief van Arlon te zien geeft. De voortrein van de wagen is gemarkeerd door de zwenknagel die midden tussen de dwarsbalken is te zien. De aanwezigheid daarvan maakt duidelijk dat de vooras gezwenkt kon worden, en dit verklaart ook waarom de metalen ringen waar de wagenkast aan was opgehangen voor over een horizontale stang gleden, terwijl ze achter direct aan het ijzerbeslag onder de bak waren bevestigd. Als de staanders aan de voorkant direct op de asdam van de vooras stonden zwenkten ze mee met de vooras, en daarmee verhuisde het ophangpunt van de riemen naar voor of naar achter. Deze beweging konden de ringen volgen door over de stangen te glijden.

De interpretatie van de rechtopstaande ijzeren onderdelen die voor de achterwielen op de tekening van Venedikov zijn te zien gaf aanvankelijk moeilijkheden, tot Roring ze overtuigend wist voor te stellen als onderdelen van een primitief remsysteem, waarbij een balk tegen de voorzijde van de achterwielen wordt gedrukt. Wat betreft de andere metalen onderdelen is het niet precies duidelijk waar ze voor dienden. Venedikov maakte een reconstructietekening van de wagen waarop deze onderdelen als beslag van een open wagenbak gediend zouden hebben, maar het is niet moeilijk dezelfde onderdelen te interpreteren als van een wagen met kap of huif. De reconstructie van deze wagen van Siskovci wordt bemoeilijkt door het feit dat Venedikov weliswaar een opgravingsschets publiceerde, maar daarin geen maten aangaf. De archeologie in dat deel van Europa stond in die tijd nog in de kinderschoenen: opgravingsschetsen zijn de uitzondering, vaak kwam opgraven neer op een nauwelijks gedocumenteerde berging van metalen onderdelen.

Griffioen

Een bekend relief dat in Maria Saal (Oostenrijk) werd gevonden laat zien hoe een wagen met kap uit de Romeinse tijd eruitzag. Boven de wielen en de opstaande zijkanten van de wagenbak komen twee driehoekige gebieden in het relief nogal naar voren. Boven het achterwiel is een naar links kijkende kop van een griffioen te zien, boven het voorwiel is het relief nogal beschadigd zodat dit detail vrijwel verdwenen is, maar ook daar was oorspronkelijk een dergelijke kop. Ze zijn wat groot in vergelijking met de teruggevonden artefacten, maar stemmen overigens goed overeen met het idee dat de afgebeelde wagen een bak bezat die was opgehangen aan opzetstukken maar het is dan misschien vreemd dat de ophangkoorden niet voor de opstaande zijden van de wagenbak lijken te lopen.

Bij de reconstructies van opgehangen wagens als model op natuurlijke grootte, die van de wagens van Siskovci, en van de vindplaatsen Somodorpuszta en van Wardartal lopen deze koorden altijd naar de bodem van de wagenbak, en de schets van Venedikov maakt duidelijk dat dit in elk geval bij de wagen van Siskovci zo moet zijn geweest. Het reconstructiemodel dat op aanwijzingen van Roring voor het Romisch Germanische Museum in Keulen werd vervaardigd laat deze bijzonderheid ook zien. De reconstructie is in hoofdzaak gebaseerd op de vondst van de metaalonderdelen van Wardartal.

Scherpe knik

Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat deze ophanging het doel zou hebben de schokken die de passagiers ondervinden tijdens het rijden van de wagen te verzachten door de wagenbak naar voren en achteren te laten schommelen. Maar deze schijn bedriegt: als we de geometrie van de ophanging wat nader bekijken blijkt het dat dit niet juist kan zijn, want de baan van een willekeurig punt van de wagenbak, dus ook van de daarin zittende passagiers, vertoont een scherpe knik als de schommeling van voor naar achter of omgekeerd de tussenstand passeerde.

De passagiers zouden de passage van dit punt als uiterst onaangenaam stoten hebben ervaren. Dit kan nooit de bedoeling zijn geweest, en het moet trouwens een wel zeer hevige horizontale stoot in de langsrichting zijn geweest, een die qua grootte overeenkwam met de helft van de zwaartekrachtversnelling, die noodzakelijk was om een dergelijke schommeling mogelijk te maken. In principe zou ook een voldoend steile helling een dergelijke schommeling kunnen veroorzaken, daar de wagenbak dan aan hetzij de voorwaartse koorden, hetzij aan de achterwaartse hing.

Maar zulke steile wegen, met een helling van 1 op 2, zijn er niet en zijn er ook nooit geweest: een helling van 1 op 4 a 5 is wel het maximum. De ophanging was dus niet bedoeld om de wagenbak in de langsrichting te laten schommelen, integendeel, dat werd door deze wijze van ophangen vrijwel onmogelijk. Wat overbleef was een schommelen in de derde dimensie, in de dwarsrichting.

Onderschriften figuren II.

De schijn bedriegt.

Figuur II.1.

Schets van Venedikov van de wagenopgraving van Siskovci (1958).

Figuur II.2.

Relief van Maria-Saal (Oostenrijk).

Figuur II.3.

Schema wagenophanging uit de Romeinse tijd, van opzij gezien.