Geen Duitse rechten ex-dwangarbeiders

DEN HAAG, 3 jan. - Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeider in Duitsland zijn geweest, kunnen geen rechten laten gelden op een Duitse sociale verzekering.

Staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) schrijft vandaag aan de Tweede Kamer dat zij weigert een verdrag uit 1951 op te zeggen. De Bondsrepubliek kocht toen de verplichtingen jegens Nederlandse dwangarbeiders af voor een bedrag van twintig miljoen gulden. Sindsdien vallen zij onder Nederlandse sociale wetten. Aanvankelijk was dat de Invaliditeitswet, later de AAW, AWW en AOW, schrijft de staatssecretaris. De Vereniging Dwangarbeiders had het kabinet gevraagd om die overeenkomst op te zeggen.

Ter Veld acht het uitgesloten dat deze ruim dertig jaar oude overeenkomst nu ongedaan wordt gemaakt. De Bondsrepubliek is destijds haar verplichtingen uit het verdrag volledig nagekomen - Nederland kan daar nu niet eenzijdig op terugkomen. Bovendien zouden dan alle aanspraken van de betrokkenen met terugwerkende kracht tot 1945 moeten worden herzien. Menigeen is intussen overleden. “Voorts is de bewijskracht die in de jaren vijftig al vaak ontbrak, er de afgelopen dertig tot veertig jaar niet beter op geworden”.

De Vereniging Dwangarbeiders meent dat de rechten voor de gemiddeld twee jaar die in Duitsland zijn doorgebracht, voor een veel te laag bedrag zijn afgekocht. Ex-dwangarbeiders die 65 worden krijgen nu van de Nederlandse overheid over die periode een bedrag van 85 tot 100 gulden, de waarde van twee jaar rentezegels a zestig cent.

Het verdrag van 1951 is niet van toepassing op grensgangers, mijnwerkers en dwangarbeiders in het Saargebied, destijds nog Frans bezet gebied waarover de Bondsrepubliek geen rechtsmacht had. Deze groep ontvangt naast de AOW op grond van destijds betaalde premies wel een Duitse uitkering: een bedrag van 60 tot 75 gulden per maand ouderdomsrente, waar over echter in tegenstelling tot Franse en Belgische ex-dwangarbeiders, hier inkomstenbelasting moet worden betaald.