Een kleine lichtbron in de nacht

Tentoonstelling: Nocturnes; voorstellingen met maan- en kaarslicht. T- m 24-2 in Teylers Museum, Haarlem. Geopend: di. t-m za. 10-17 uur; zo. 13-17 uur.

Toen Peter Paul Rubens in 1611 vernam dat de Duitse schilder Adam Elsheimer in Rome was overleden, schreef hij te hopen dat God Elsheimer zijn luiheid zou vergeven. Want door die luiheid had Elsheimer de wereld veel wonderschoons onthouden, en zichzelf en zijn gezin tekort gedaan. In plaats van in armoe te leven, had hij rijk kunnen worden van zijn schilderijen en alom respect kunnen verwerven.

Adam Elsheimers (1578-1610) werk was bij zijn dood op 32-jarige leeftijd al een begrip onder vakgenoten. Rond 1600 deed hij twee dingen die betrekkelijk nieuw waren in de Europese schilderkunst: hij schilderde voorstellingen die werden verlicht door andere lichtbronnen dan de zon, en hij schilderde landschappen omwille van het landschap. Weinigen zullen zijn poetische nachtlandschappen indertijd met eigen ogen hebben aanschouwd. Zijn werk kreeg echter bekendheid door de zeventiende-eeuwse 'reclamefolder' bij uitstek: de prent. Zijn leerling Hendrick Goudt maakte naar zijn schilderijen zeven gravures, die in grote oplagen verspreiding vonden.

Vijf daarvan zijn te zien op de tentoonstelling Nocturnes; voorstellingen met kaars- en maanlicht in Teylers Museum te Haarlem. Daaronder is de beroemde prent van de Vlucht naar Egypte. Op de voorgrond rijdt Maria met haar kind op de ezel, Jozef licht hen bij met een fakkel. Achter hen, op het middenplan van de voorstelling, staan donkere bosschages. Het vluchtende gezin steekt daartegen helder af. Boven hen strekt zich de nachtelijke hemel uit, waarop individuele sterrenbeelden als de Grote Beer zijn te herkennen, en zelfs de Melkweg. Een meer weerspiegelt de maan. Verder op hun weg wachten herders in een grot, door een vuurtje verlicht. Elsheimer schiep in het nachtlandschap dus licht- en donkercontrasten die de voorstelling veel afwisselender maken dan de nacht in werkelijkheid meestal is.

Echt donker is het pas in Rembrandts prachtige ets van hetzelfde onderwerp uit 1651. Daar draagt Jozef een lantaarntje dat hemzelf ternauwernood belicht, maar wel de oren van de ezel. De aanwezigheid van Maria laat zich meer raden dan dat ze werkelijk waar te nemen is. Inmiddels was het nachtlandschap, geinspireerd door Elsheimer, grote mode geworden. Behalve Rembrandt schilderde ook Rubens het. Aert van der Neer maakte er zelfs zijn specialisme van. In later eeuwen bleef het genre populair: van Hendrik Gerrit ten Cate is er op de tentoonstelling bij voorbeeld een krijttekening uit 1855 van een Watermolen bij Maanlicht.

Heel anders van aard is het genre nachtstukken dat in Nederland na 1620 in zwang kwam. Rond die tijd keerde de Utrechtse schilder Gerard van Honthorst (1592-1656) uit Rome terug naar huis. Hij was een navolger van Michelangelo Merisi da Caravaggio (1573-1610), die schilderijen maakte met sterke lichtdonker-contrasten. Bij Caravaggio valt daglicht vaak een donkere ruimte binnen uit een richting, via een raam buiten het schilderij.

Van Honthorst koos voor een lichtbron die een ingrijpend ander effect opleverde: de kaars, of soms een fakkel. Tijdens zijn verblijf in Italie had hij al de bijnaam 'Gherardo delle Notte' gekregen vanwege zijn vaardigheid in het afbeelden van kunstlichttaferelen. Navolgers had hij tot ver in de achttiende eeuw, blijkt op de expositie.

Boekverluchtingen

Het nachtstuk is een fascinerend genre, dat nauwelijks eerder in een expositie werd belicht. De thematentoonstelling in Teylers aan de hand van grafiek uit eigen bezit is daarom een goed initiatief. De samenstellers zoeken de oorsprong van het nachtstuk in laat-middeleeuwse boekverluchtingen met bijbelse voorstellingen, waarvan enkele fraaie exemplaren zijn te zien. De kunstlichtvoorstelling, schrijven zij in de begeleidende teksten, werd als onderwerp en techniek pas in de zeventiende eeuw door Van Honthorst meegebracht uit Italie.

Kennelijk hebben zij niet de congresbundel gelezen van een symposium over de Hollandse Carravaggisten in Braunschweig, uit 1988. Daarin wordt op dat idee nogal wat afgedongen. De Duitse kunsthistoricus Justus Muller Hofstede wijst er op, dat Honthorst voor zijn kaarslichtschilderijen teruggreep op een zestiende-eeuwse Vlaamse traditie. Niet alleen religieuze, maar ook profane voorstellingen hoorden thuis in die traditie, waaronder vele 'vrolijke gezelschappen' zoals de Nederlandse Caravaggisten die later eveneens zouden schilderen.

De kunsthistoricus Wouter Kloek geeft in dezelfde bundel aan dat er ook in de Noordelijke Nederlanden - met name in Leiden - al in de zestiende eeuw nachtstukken voorkwamen. De schilder en kunsttheoreticus Karel van Mander gaf tenslotte reeds in 1604 in zijn Schilderboeck aanwijzingen over de verschillende manieren waarop de schilder een kaarslichtvoorstelling kon aanpakken. Een op de tentoonstelling aanwezige gravure van Jan Saenredam naar Hendrik Goltzius, De avond, van voor 1607, waarop een vrolijk gezelschap bij kaarslicht is afgebeeld, ondersteunt hun opvattingen. De oorsprong van het nachtstuk is niet minder Nederlands dan Italiaans.