DE STOF VAN DROMEN

J. E. Owens, E. W. Cook, I. Stevenson: Features of 'near death experience' in relation to whether or nog patients were near death. Lancet 1990, vol 336, pagina 1175-1177.

Van Shakespeare is in Nederland niet veel meer over dan de bestofte BBC televisie-opnamen in Hilversum, wat verminkend regisseurstoneel (Macbeth in smoking) en natuurlijk Hamlet met to be or not to be. In het jaar 2000 blijkt Martin van Amerongen de enige lezer en krijgt een prijs.

Voor die tijd dus even terug naar Hamlet die aarzelt tussen vechten en opgeven, eeuwig slapen in de sneeuw van vergetelheid of manmoedig tegenspoed en ongeluk bevechten. Wat hem weerhoudt om aan het bestaan een eind te maken is de onzekerheid van wat erop volgt. We verkiezen het bekende ongeluk boven wat we niet kunnen weten. Die gewetenscrisis maakt ons lafaard, want onze besluitvaardigheid ermee op te houden, wordt verlamd door bleke gedachten over het hiernamaals, waarvan wij niets weten. Het dood zijn is het onbekende land, waaruit geen reiziger voorbij de grens terugkeert.

Bijna 4000 jaar later is die grens niet zo scherp meer gemarkeerd. Dienstplichtige artsen leerden vroeger dat de dood was ingetreden als het hoofd duurzaam van de romp was gescheiden, het lichaam was verkoold of langer dan 24 uur onder water had verbleven, maar in vredestijd is subtieler onderscheid nodig.

We discussieren nu over de hersendood, als pars pro toto het beeld van de totale dood hoewel het lichaam nog functioneert. We beschouwen die grens als onherroepelijk, waarop de patient mag veranderen in orgaandonor, een stervende als schenker van nieuw leven. Ook die hersendood is alweer verbijzonderd tot de dood van de hersenstam, de brug tussen hersenen en lichaam. Velen menen dat die hersenstamdood op eenvoudige klinische criteria kan worden vastgesteld, als ontbrekende spontane ademhaling, reflexen of bewustzijn. Anderen vinden objectivering ervan door elektro-encefalografie of vaatonderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat onze persoonlijkheid onherroepelijk door de hersendood is uitgewist. De grens waar voorbij geen reiziger terugkeert is daarom een onscherpe geworden en reizigers die alsnog uit een niemandsland terugkeren zouden ons kunnen berichten hoe het land aan gene zijde eruitzag.

In de afgelopen jaren zijn er dan ook talloze berichten over de bijna-doodervaring verschenen hoewel ze ook eerder maar sporadisch zijn vermeld, vanaf Plato tot vallende alpinisten. De komst van reanimatie en publiciteit in onze generatie heeft echter de rapportage versterkt. Mijn gewaardeerde collega Van Lommel, Arnhems cardioloog, zamelt vaderlandse ervaringen in voor nader onderzoek want wie zou niet nieuwsgierig zijn naar wat ons allen te wachten staat?

De verklaringen van de bijna-doodervaring als een moment van verhevigd bewustzijn vallen in drie categorieen uiteen. De eerste categorie gaat uit van werkelijke waarneming van de grens, een transcendentale ervaring. Anderen zien het als bijprodukten van het biologisch doodgaan of bijna doodgaan, een resultante van verlaagd bewustzijn en medicamenten, terwijl de derde weg kiest voor een psychologische verklaring.

De beleving te gaan sterven wekt een psychische reactie en die ervaring kan worden naverteld als de dood wordt gekeerd. In vrijwel alle rapporage wordt de subjectieve ervaring van de patient, de beleefde doodsdreiging, als uitgangspunt genomen, ook als er geen reeel levensgevaar bestond. Een man kan zich in doodsgevaar wanen zonder dat het reeel aanwezig is en dat onderscheid zou van belang kunnen zijn bij nadere analyse.

Drie Amerikaanse onderzoekers hebben dat nagegaan bij 58 patienten die bijna-doodervaringen hadden gemeld en van wie de medische omstandigheden van die ervaring goed gedocumenteerd waren. De ervaring trad als regel op bij jonge mensen, gemiddeld 36 jaar en ontstond tijdens ziekte, operatie, bevalling of ongeval. De medische categorieen werden opgegeven als geen ernstige ziekte, ernstige ziekte zonder doodsgevaar, met doodsgevaar en ziekte die dodelijk zou zijn geweest zonder direct medisch ingrijpen. Ruim de helft van alle patienten met een bijna-doodervaring was objectief niet in enig levensgevaar.

De bijna-doodervaringen van alle patienten hadden een aantal trekken gemeen. Velen hadden een sterk licht, diffuus of door een tunnel of een persoon omstralend waargenomen. Vaak ging dat gepaard met verscherpte waarneming of gedachtenvorming, zoals horen, zien of helder denken. Sommigen dachten hun lichamen te hebben verlaten, herinnerden zich gebeurtenissen uit hun jeugd en meenden te sterven of gestorven te zijn. De ervaringen van patienten in doodsgevaar en zij die dat niet waren, werden vergeleken. De laatsten zagen wat minder versterkt licht en hadden wat minder frequent een sensatie van verhoogd bewustzijn maar in het algemeen waren de verschillen niet groot. Dat zou steun kunnen verlenen aan een psychologische verklaring die de bijna-doodervaring verklaart uit de subjectieve ervaring het leven te zullen verliezen, zoals bij een val van de berg die eindigt in zachte sneeuw.

De combinatie van versterkte lichtwaarneming, verhelderd bewustzijn en positieve beleving van emoties kwam wat vaker voor bij werkelijke levensbedreiging en dit geeft enige steun aan een pathofysiologische verklaring die veronderstelt dat veranderingen in bloeddruk, hersenfunctie of geneesmiddeleffecten verantwoordelijk zijn voor de bijna-doodervaring als een droom of delier. Ook daarin kan de beleefde werkelijkheid kleuriger, intenser en overweldigender zijn dan de alledaagse, grauwe realiteit.

De onderzoekers lieten ook ruimte voor een transcendentale interpretatie. Wanneer onze hersenen de biologische voorwaarde vormen voor geestelijk functioneren dan zouden bij verminderde hersenfunctie door shock, slechte pompfunctie van het hart, vergiftiging of bloeddrukdaling onze waarneming en ons denken alleen maar afstompen. Als het licht uitgaat wordt de kamer van de ziel donker en niet licht. Veel patienten in acuut doodsgevaar, op een intensive care-afdeling of hartbewaking herinneren zich later nauwelijks wat er voor levensbedreigends is gebeurd, al zal dat te maken hebben met de snelheid waarmee bewustzijnsdaling optreedt. Dat sommigen dicht bij de dood echter helderder en sterker waarnamen en dachten, zelfs als die dood objectief veraf bleek, vergt nadere aardse of bovenaardse verklaring. Een troost mag zijn dat bijna alle patienten in of buiten levensgevaar, een positieve belevenis meldden die soms hun leven ingrijpend veranderde. Die ervaring komt zowel van teruggekeerde Nederlanders zoals onlangs in deze krant vanuit Meppel werd gerapporteerd als van de christenvervolger Saulus die op weg naar Damascus door een lichtflits getroffen in de apostel Paulus veranderde. Boutens schreef al dat men van het lieve doodgaan niet moet ijzen en dat geldt kennelijk ook voor de bijna-doodbeleving.

Mijn persoonlijke ervaringen zijn wat prozaischer. Lang geleden, praktisch aan mijn einde door een meningitis werd me, achteraf ten onrechte, de dood aangezegd maar mijn enige wens was dat de barstende hoofdpijn zou overgaan want dat domineerde alles. Toen ik weken later hersteld over de Churchilllaan liep, begonnen mijn knieen te knikken en kwamen de waterlanders. Verdraaid, dacht ik, bijna was ik dood geweest; ik moet er niet aan denken.

De ziel gaat blijkbaar te voet en de reflectie over leven en sterven komt vaak laat na ingrijpend ziek zijn, wat ons op ogenblikkelijk lichamelijk ongemak fixeert, maar het is kennelijk geen ijzeren regel. Sommigen ervaren de teloorgang van lijf en ziel tegelijkertijd, als een droom in niemandsland. We are such stuff, schreef Shakespeare, that dreams are made on, and our little life is rounded with a sleep. Die afronding, vermeend of werkelijk, bezorgt sommigen onzer visioenen van licht en helderheid als grenservaring en dat lijkt me, ongeacht de verklaring, een troostrijke gedachte in het nieuwe jaar.