De goden verzoekend

Mortu Nega. Regie: Flora Gomes. Met: Bia Gomes, Tunu Eugenio Almada. Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt.

De Russische regisseur Aleksej German, jurylid tijdens het laatste festival van Cannes, verklaarde zich enkele maanden later in zijn in Utrecht uitgesproken Cinema Militanslezing incompetent tot een oordeel over de Burkinese speelfilm Tilai: “Het zou een meesterwerk kunnen zijn, maar ook absolute onzin”. De verlegenheid van westerse beschouwers met Afrikaanse speelfilms, die zich, zoals de film van Idrissa Ouedraogo, voornamelijk bedienen van verhaalvormen en stijlelementen uit hun eigen cultuur, vormt een probleem. Het festival 'Africa in the Picture' vertoonde in 1989 echter ook Afrikaanse films met een vertrouwde, westerse vorm. Daartoe behoorde Mortu Nega, naar verluidt de eerste speelfilm uit Guinee-Bissau.

Regisseur Flora Gomes (een man, in tegenstelling tot wat zijn voornaam doet vermoeden) eindigt weliswaar met het verslag van een ceremonie, die de weergoden om regen vraagt, maar heeft overigens de structuur van een tegen de propagandafilm aanleunend verhaal uit de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Portugezen. Dat Gomes ooit debuteerde met een documentaire over een congres van de eenheidspartij PAIGC, valt aan zijn speelfilmdebuut af te zien.

Het scenario begint in 1973, vlak voor de moord op Amilcar Cabral, de charismatische leider van het Guinee-Bissause verzet. Diminga voegt zich bij haar echtgenoot aan het front, vlak bij de grens met Guinee-Conakry. De beelden van zwaar bewapende kolonnes in camouflage-uniform maken duidelijk dat de overwinning nog niet behaald is. Na een kort rendez-vous met haar man gaat Diminga, op aandrang van de partij, terug naar haar dorp en doorkruist het door oorlog, honger en droogte geteisterde land. Ook na de onafhankelijkheid in 1974 moeten er nog heel wat problemen opgelost worden. Uiteraard vormt Diminga's onverzettelijkheid een belangrijke positieve bron van inspiratie.

De sympathie voor Gomes' film kan moeilijk los gezien worden van die voor de politieke positie die ingenomen wordt. In poetisch opzicht is Mortu Nega weinig dubbelzinnig, en soms zelfs ronduit plat. De titel verwijst naar een kind dat in tegenstelling tot zijn broertjes en zusjes niet op jeugdige leeftijd sterft: “Degene aan wie de dood voorbijgaat”. Dat mooie beeld vindt in de film zelf nauwelijks een pendant.

In de jaren zeventig zou Mortu Nega een welkom onthaal gevonden hebben bij in vrijheidsstrijd gespecialiseerde filmhuisdistributeurs als Fugitive of Cineclub. Als de plaatjes ook maar enigszins effectief illustreerden dat de maker aan de goede kant stond, was er wel een publiek voor te vinden. Nu doet een dergelijke film toch enigszins verouderd aan, als een relict uit de periode dat de wereld eenvoudig te verdelen viel in imperialistische 'bad guys' en onderdrukte helden. De automatische sympathie voor een film uit een jong ontwikkelingsland valt in feite onder dezelfde paternalistische noemer. Helaas staat de filmische verbeeldingskracht van Flora Gomes nog niet op het niveau van minder toegankelijke Afrikaanse filmers als Sembene, Cisse of Ouedraogo.