Bij VN minder verdwijningen gemeld

GENEVE, 3 jan. - De afgelopen tien jaar hebben autoriteiten in 45 landen totaal 20.000 personen - in meerderheid politieke tegenstanders - laten verdwijnen. Zij zijn als vermist opgegeven en in de meeste gevallen buiten de normale rechtsgang om uit de weg geruimd.

Dit staat in een nog ongepubliceerd jaarverslag van de speciale werkgroep van de Verenigde Naties die zich met dit verschijnsel bezighoudt. De werkgroep constateert in de trieste jaarbalans over 1990 een lichtpuntje. Voor het eerst in zeventien jaar is het aantal meldingen afgenomen.

Het afgelopen jaar heeft de werkgroep van de VN 486 gevallen behandeld. Vorig jaar was dat aantal nog 721. Dit betekent overigens niet dat de lugubere praktijk van het spoorloos laten verdwijnen van mensen afneemt. Zover wil de Nederlander Toine van Dongen, een van zes leden van de werkgroep, niet gaan. Hoewel een grafiek in het rapport een langzame maar gestage daling van het aantal meldingen toont sinds 1973, wil Van Dongen daar nog geen conclusies aan verbinden. “Statistieken zijn bedrieglijk”, schrijft de werkgroep in zijn rapport.

Dictaturen

Wel lijken de nieuwe cijfers te corresponderen met een geleidelijke vermindering van het aantal dictatoriale regimes in de wereld. Ook lijkt na tien jaar de effectiviteit van deze VN-bemoeienis met mensenrechten toe te nemen. Dat valt af te leiden uit het feit dat steeds meer mensenrechtengroeperingen in steeds meer landen de werkgroep aanschrijven. Dat gebeurt door schriftelijke melding aan het VN-centrum mensenrechten in Geneve, dat jaarlijks honderdduizenden klachten ontvangt over schendingen van de rechten van de mens - van verdwijningen tot standrechtelijke executies, martelingen en opsluiting zonder vorm van proces. Bij voldoende gedetailleerde gegevens over een verdwijning en enig bewijs van mogelijke betrokkenheid van de autoriteiten, schrijft de werkgroep de desbetreffende regering aan.

Bij melding van recente verdwijningen, binnen drie maanden, intervenieren de VN vaak direct: dat gebeurde het afgelopen jaar in 424 gevallen. Per telex wordt dan de autoriteiten in diplomatieke taal verzocht informatie te verschaffen. Deze 'urgente actie' levert doorgaans de meeste resultaten op. Gemiddeld een op de vijf vermisten wordt drie maanden na een aan het VN-centrum gemelde verdwijning opgespoord. Bij minder recente gevallen is het percentage ophelderingen veel kleiner, niet meer dan zeven of acht procent.

Helft

Slechts de helft van de gemelde gevallen komt in aanmerking voor behandeling door de VN. De rest wordt wel in het computerbestand opgenomen, maar de werkgroep gaat niet tot actie over zolang de gegevens incompleet blijven, of wanneer onvoldoende kan worden aangetoond dat de overheid betrokken is bij de verdwijning.

De statistieken geven echter niet noodzakelijkerwijs een compleet beeld. Er bestaan wellicht veel meer gevallen waarvan de groep niet op de hoogte is. “De werkelijke afmetingen van dit probleem zijn waarschijnlijk veel groter”, aldus de VN. Van Dongen: “Regeringen hebben er nog steeds baat bij om politieke tegenstanders te laten verdwijnen. Naarmate het systeem van rechtsbescherming in een bepaald land meer verfijnd is, met andere woorden: als er meer garanties zijn voor de bescherming van de rechten van de mens, wordt het lonend voor een regering die er op uit is repressie uit te oefenen om mensen aan dat rechtssysteem te onttrekken. Niets is gemakkelijker dan elke verantwoordelijkheid voor een vermissing te ontkennen.”

Teveel

De werkgroep dringt er bij de VN op aan de inspanningen niet te laten verslappen. Bijna 500 nieuwe gevallen per jaar is nog steeds een schrikbarend aantal. Want, zo concludeert Van Dongen, “elk geval is en blijft er een teveel. Het fenomeen is niet uit de wereld geholpen wanneer onze grafieken het nulpunt bereiken, schrijft de werkgroep. Het verschijnsel duurt voort zolang het allerlaatste geval onopgehelderd blijft.”

    • Willem Offenberg