Archeologie-prijs voor Belvedere onderzoek

De W. A. van Es-prijs, een aanmoedigingsprijs voor jonge archeologen, is dit jaar toegekend aan dr. W. Roebroeks. Hij kreeg de prijs voor 'de briljante wijze waarop hij het onderzoek in de Belvedere-groeve sinds 1981 leidde'.

Roebroeks (1955), werkzaam bij het Instituut voor Prehistorie van de Rijksuniversiteit Leiden, studeerde geschiedenis in Nijmegen: 'Ik vond prehistorie leuk als hobby, maar niet maatschappelijk relevant. Pas toen ik m'n studie af had kwam ik erachter dat die prehistorie mij toch eigenlijk meer fascineerde. Het boeiende van prehistorie is het groepswerk. Je kunt onderzoek niet in je eentje doen, je moet werken met geologen, biologen en andere natuurwetenschappers. Je moet die mensen proberen te volgen en dus ben je continu bezig jezelf te scholen.

'Daarnaast zit je veel in de buitenlucht. Ik vond ploeteren in archieven ook spannend, maar dit heeft toch iets meer van een jongensdroom.'

Is archeologie volgens u dus toch maatschappelijk relevant?

Ik kan heel flauw doen en terugvragen: wat is het nut van Rembrandt? Voor mij is archeologie belangrijk omdat je een spiegel wordt voorgehouden. Dat het je laat zien waar je vandaan komt, waar je staat op de ladder van de ontwikkeling van de natuur, hoe de mensheid miljoenen jaren lang geleefd heeft en hoe wij het op dit moment aan het verknallen zijn.

'Voor mij zijn de zaken die er in de ondergrond liggen onlosmakelijk verbonden met het landschap en de bescherming daarvan. De beste bescherming van archeologische vindplaatsen is het onaangetast laten van het landschap. Archeologen zouden dan ook samen met de milieubeweging een vuist moeten maken. Maar archeologie heeft tegelijk iets heel dubbelhartigs: de vindplaatsen kan je alleen onderzoeken als het landschap grootschalig vernietigd wordt, zoals bij de Belvedere-groeve.'

Roebroeks deed onderzoek naar de vroege Homo sapiens en zit midden in de wetenschappelijke kwestie naar de afstemming van de mens. Tien jaar geleden werd de komst van de soort Homo sapiens sapiens, de nieuwe mens waartoe wij zelf behoren, nog gezien als resultaat van een geleidelijke ontwikkeling uit zijn voorouders. Maar sinds een jaar of vijf gaan er stemmen op, vooral Amerikaanse, die stellen dat er sprake is van een essentieel verschil tussen Homo sapiens sapiens en wat daaraan vooraf ging. De discussie hierover is weer eens wat anders dan de eeuwige, knallende ruzies tussen clans van in Oost-Afrika opererende fossielenjagers.

Roebroeks: 'Er zijn twee lijnen. De een zegt: je hebt een eerste Out of Africa, een miljoen of zevenhonderdduizend jaar geleden toen Homo erectus over de wereld uitzwierf. Vanuit die vroege populatie is er overal sprake van een continue ontwikkeling. De verschillen tussen Australiers, Chinezen, Russen en ga zo maar door, ontwikkelden zich geleidelijk in regionale continuiteit.

Veel meer aanhang heeft de opvatting dat dat wij allemaal afstammen van hypothetische voorouders die zo'n 200.000 jaar geleden in Afrika woonden en die van daaruit de hele wereld hebben gekoloniseerd: een tweede Out of Africa. Deze vervangingsschool is vrij sterk in het wereldje van paleontologen. Maar vooral Europese archeologen benadrukken dat er continuiteit zit in allerlei vormen van culturele neerslag, van steentjes, nederzettingspatronen en dat soort dingen.

De positie van de Neanderthaler is erg omstreden. In Europa verdween de Neanderthaler vrij snel na de komst van Homo sapiens sapiens (40.000 - 35.000 v. Chr), maar in het Midden Oosten woonden beide Homo's toen al zeker zo'n 20.000 a 30.000 jaar samen in een gebied. In Israel heeft men ook al decennia lang het vermoeden dat Homo sapiens sapiens daar veel ouder is dan de Neanderthaler, terwijl het bij ons precies andersom is. En dit is door nieuwe dateringstechnieken als Thermoluminiscentie (TL) en Elektronen Spin Resonatie (ESR) hard onderbouwd. Dus denkt men ginds dat de Neanderthaler uit Europa is komen afzakken en daarmee wordt de Europese vervanging tot iets heel laats en perifeers. Voor de evolutie tot Homo sapiens sapiens is niet-Europees gebied, zeg maar het hart van het Euraziatische continent, veel belangrijker dan we vroeger dachten. Ondanks al die mooie grottenkunst en dergelijke is dat het centrum van de evolutie en zitten wij hier in Europa in de periferie.'

Ver in die periferie ligt de Belvedere-groeve. Tussen 1981 en nu vond daar onderzoek plaats naar bewoningssporen van de vroege Homo sapiens in Nederland, 250.000 jaar geleden, dus de voorloper van de ondersoort Homo sapiens sapiens waar wij deel van uitmaken. Bij een dergelijke ouderdom komt het niet vaak voor dat sites in de primaire archeologische context worden aangetroffen, dat wil zeggen onaangeroerd sinds het vertrek van de bewoners. In dat verband vraag ik naar de inhoud van de begrippen 'site-formation' en 'refitting' en naar het verband daartussen.

Roebroeks: 'Als je iets wilt zeggen over wat zich heeft afgespeeld op de vindplaats die je aan het opgraven bent dan moet je op de eerste plaats weten hoe die tot stand is gekomen. Daarvoor zijn veel scenario's denkbaar. Stromend water bijvoorbeeld kan dingen verplaatsen, concentraties uit elkaar drijven of zelfs helemaal verplaatsen en ergens anders opnieuw afzetten samen met andere spullen. Dingen die op een helling liggen gaan geleidelijk verschuiven. Planten en dieren kunnen door hun ondergrondse activiteiten vondsten die oorspronkelijk op een bepaald niveau lagen doen stijgen of dalen. En aaseters kunnen botten die mensen hebben achtergelaten in vijf minuten compleet verslepen. Site-formation nu is het totaal van die processen waardoor een vindplaats de vorm krijgt waarin de archeoloog haar aantreft. Een van de eerste dingen die we dus doen is kijken of de archeologica nog liggen op de plek waar ze zijn achtergelaten.

'Bij bewerking van vuursteen kun je daar vrij gemakkelijk achterkomen. Dan moeten er schilfertjes aanwezig zijn. Zijn die weg dan weet je dat er sortering heeft plaatsgevonden. Kleine spullen kunnen door watertransport uitgewassen worden. Ook door refitten, het weer op elkaar passen van vuursteenafslagen, kun je zien of er iets verplaatst of weg is. Refitting is dus een controlemiddel op de verstoring van de vindplaats. Maar refitting vertelt ook iets over de manier waarop vuursteen werd bewerkt en is van belang voor het beantwoorden van allerlei gedragsvragen. In ons onderzoek zagen wij dat er afslagen waren uitgeselecteerd en mee naar elders genomen. Naar plaatsen binnen de site maar ook daarbuiten, waarheen weten we niet. Bovendien kwamen er elders bewerkte brokken in de vindplaats terecht. We zijn toen in de literatuur gaan zoeken naar gegevens over transportafstanden van stenen werktuigen. Wat ons daarin opviel is dat zowel in het Midden-Paleolithicum, je hebt dan met de Neanderthaler en zijn voorlopers te doen, als in het Jong-Paleolithicum wanneer er sprake is van Homo sapiens sapiens, de verschillen tussen transportafstanden in Oost- en West-Europa hetzelfde blijven. Dat geeft aan dat er essentiele overeenkomsten waren in de wijze waarop in de twee perioden met het landschap werd omgegaan. Zo raak je van site-niveau ineens aan veel grotere schalen; en aan ons vorige onderwerp. Want als je zegt dat Homo sapiens sapiens wezenlijk anders is dan de Neanderthaler, waarom blijven die patronen dan hetzelfde? '

Voor de bulldozers uit

Na een kleine tien jaar ploeteren, voor de bulldozers uit en soms letterlijk onder de bakken van de graafmachines, is met het stopzetten van de exploitatie van de Belvedere-groeve ook het onderzoek beeindigd. Een voor Nederland 'exotisch' onderzoek in de karakterisering van Roebroeks, 'voorbeeldig multidisciplinair uitgevoerd' naar het oordeel van de jury die hem de Van Es-prijs toekende. Roebroeks wil op dit punt nog wel iets kwijt.

'Ik heb er lang over nagedacht of ik die prijs wel moest aannemen. Hij is door de vorige regering ingesteld voor jonge onderzoekers. Nou, op de eerste plaats ben ik geen jonge onderzoeker meer. En op de tweede plaats, en dat heb ik ook bij de aanvaarding gezegd, vind ik het heel cynisch dat een regering die een klimaat creeert waarin jonge onderzoekers heel slecht betaald en onder grote druk moeten werken, een prijs instelt om het werk van jonge onderzoekers te bevorderen. Kijk, het is natuurlijk leuk om een prijs te krijgen, maar het is ook genant. Zeker wanneer je zoals ik met een vaste aanstelling een proefschrift schrijft waartegen jonge onderzoekers moeten concurreren. Maar een reden om de prijs toch aan te nemen is dat het een beloning is voor het werk van de hele groep.'

    • Theo Holleman