Weinig hoop op doorbraak in Afghanistan

ROTTERDAM, 2 jan. - Door de Golfcrisis is de aandacht voor een andere, vooralsnog veel bloediger brandhaard in de nabijheid van de Golf verslapt. Niettemin is de oorlog in Afghanistan intussen zijn twaalfde jaar ingegaan, en de vooruitzichten op een vreedzame regeling voor dat conflict blijven somber.

Weliswaar vallen er tegenwoordig minder doden dan toen de Russen er nog waren, maar nog steeds sterven er bijna dagelijks mensen bij gevechten of gewoon door op een van de honderdduizenden landmijnen te trappen waarmee het land bezaaid ligt. Tussen de vier en vijf miljoen vluchtelingen in Pakistan en Iran - al jaren de grootste groep vluchtelingen uit een land ter wereld - wachten nog altijd vergeefs tot ze naar hun goeddeels verwoeste dorpen kunnen terugkeren.

Ook vorige maand slaagden Sovjet-minister van buitenlandse zaken Edoeard Sjevardnadze en zijn Amerikaanse collega James Baker er tijdens overleg in de Texaanse stad Houston niet in een overeenkomst te bereiken. Een verwachte verklaring waarin ze hun bedoelingen met het uitgeputte Afghanistan zouden aangeven bleef uit. Zoals die ook bij een eerdere, eveneens met optimisme tegemoet geziene ontmoeting tussen beide heren in de Siberische stad Irkoetsk in augustus was uitgebleven.

Over een aantal zaken zijn de beide supermogendheden het in principe eens. Zo zien ze wel iets in een overgangsbewind waarin vertegewoordigers van de door Moskou gesteunde regering in Kabul en van het door de VS geholpen verzet zitting moeten hebben. Deze zou wellicht kunnen worden geleid door de inmiddels 75-jarige Afghaanse ex-koning Zahir Shah, die sinds 1973 in balingschap woont in Rome. Onder supervisie van de Verenigde Naties zou dit overgangsbewind vrije verkiezingen moeten organiseren.

Het voornaamste breekpunt is naar verluidt de positie van de huidige Afghaanse president Najibullah. Moskou wil hem voorlopig op een sleutelpost handhaven. Sinds zijn aantreden in 1985 is deze voormalige chef van de geheime dienst er boven verwachting goed in geslaagd om de orde binnen de intern zeer verdeelde communistische partij te herstellen. Voortvarend schafte hij de marxistische grondslag van de partij af en herdoopte deze in Thuisland-partij, terwijl hij zich nadrukkelijk meer tegemoetkomend opstelde jegens de islam. Door steeds te hameren op de noodzaak van een 'nationale verzoening' en een dialoog met het verzet heeft hij internationaal onmiskenbaar enige goodwill gekweekt.

Zolang Najibullah kans ziet om zijn bewind op de huidige voet voort te zetten is hij voor Moskou zonder twijfel van grote waarde en kan hij blijven. Gorbatsjov en de zijnen hoeven er aldus niet bezorgd voor te zijn dat er een golf van islamitisch fanatisme over de Centraal-Aziatische Sovjet-republieken zal slaan. Een risico dat er wel degelijk zou zijn bij een regering van de Afghaanse islamitische verzetsgroepen. Sommige fundamentalisen, in het bijzonder Hizb-i-Islami van de radicale Gulbuddin Hekmatyar, gaan er nu al prat op dat ze af en toe pamfletten de Sovjet-Unie weten binnen te smokkelen voor hun 'broeder-moslims'. Aan een dergelijk gestook op grotere schaal heeft het door duizend andere problemen geplaagde Moskou volstrekt geen behoefte.

Dit verklaart waarom het Kremlin ondanks de reusachtige economische problemen van het ogenblik nog steeds bereid is om elke maand voor een paar honderd miljoen gulden steun aan het bewind van Najibullah te geven, ook al wordt die hulp volgens sommige bronnen geleidelijk aan minder.

Ook de Afghaanse president, die zonder de hulp van Moskou spoedig in ernstige problemen zou komen voor wat betreft de voedselvoorziening van de bevoking in de steden, houdt er rekening mee dat de nu nog rijkelijke steun van zijn grote beschermheren in de toekomst drastisch zal verminderen. Koortsachtig is hij daarom bezig om voordien een verzoening tot stand te brengen met het gematigde deel van het vanuit Pakistan opererende verzet.

Een eerste succes voor hem was in dit verband een ontmoeting in Zwitserland in november met Pir Gailani, de leider van een van drie gematigde verzetsgroepen en een krachtige aanhanger van de gewezen koning. Ook sprak hij met enkele afgezanten van Zahir Shah.

Of Najibullah er echter in zal slagen om de gematigden volledig los te weken uit hun alliantie met de fundamentalisten lijkt op zijn minst twijfelachtig. Kenmerkend was dat Gailani door zijn woordvoerder zelfs botweg liet ontkennen dat hij Najibullah had ontmoet. De angst voor de woedende reacties van de andere partijen en de Afghaanse vluchtelingen durfde hij niet te trotseren.

Het verzet, dat sinds het vertrek van de Russen een toonbeeld van verdeeldheid en incompetentie is geweest, blijft in grote meerderheid hardnekkig elke dialoog met het bewind in Kabul afwijzen. Maar ook de verzetsstrijders, de mujahedeen, beseffen dat ze snel iets moeten ondernemen willen ze hun invloed op de loop van de gebeurtenissen niet verliezen. Het Amerikaanse Congres heeft immers zijn militaire hulp voor hen van 600 miljoen dollar per jaar tot een derde daarvan gereduceerd, terwijl ook de Arabieren sinds het uitbreken van de Golfcrisis de portemonnee aanzienlijk minder ver opentrekken dan voorheen.

Het merendeel van de mujahedeen hoopt Kabul nog steeds militair op de knieen te dwingen. Ze worden daarin gesteund door de machtige Pakistaanse geheime dienst ISI, die al jaren de buitenlandse wapenhulp aan het verzet verdeelt. Ook de Amerikaanse CIA is hiervoor (terwijl het State Department juist meer voor een diplomatieke oplossing schijnt te zijn geporteerd).

Over de gewenste strategie verschilt men evenwel van mening. De ISI spoorde haar lieveling Hekmatyar in oktober aan om een ambitieus offensief tegen de hoofdstad Kabul te ontketenen, maar net als de rampzalig verlopen aanval op Jalalabad van begin 1989 leverde dit niet veel op.

Een van de meest succesvolle guerrilla-leiders van de oorlog, Ahmed Shah Massoud, huldigt een heel andere opvatting. Hij is voor een salami-tactiek, waarbij het verzet stapje voor stapje de regeringstroepen terugdringt. Om zijn ideeen kracht bij te zetten, besloot Massoud in oktober voor het eerst sinds het begin van de Afghaanse oorlog het bergachtige noordoosten van Afghanistan te verlaten voor een ontmoeting met een groot aantal verzetscommandanten bij de Afghaans-Pakistaanse grens. Massoud, die in het noordoosten van Afghanistan een eigen leger en een redelijk functionerend bestuur heeft opgezet, kreeg zijn zin. Zelfs Hekmatyar, die in het recente verleden zijn rivaal Massoud het leven zo zuur mogelijk placht te maken, legde zich bij deze afspraak neer. Beiden beloofden bovendien zich van aanvallen op elkaar te onthouden.

Of de plannen van het verzet inderdaad tot meer druk op de regering zullen leiden, zal echter pas komend voorjaar blijken, wanneer het barre winterweer in grote delen van Afghanistan voorbij is.