Verbale polarisatie hoort niet tussen ministerie en Orde van advocaten; Justitie moet op niveau blijven discussieren

De deken van de Nederlandse Orde van Advocaten mr. L. Spigt “is een beetje de draad kwijt”, aldus topambtenaar van Justitie Demmink in een interview in NRC Handelsblad van 22 december. Het ministerie acht het verzet tegen de toegezegde tien miljoen gulden steun voor sociale advocaten onredelijk. Als de beroepsorganisaties blijven dwarsliggen, zal individueel per advocaat zaken worden gedaan, zo kondigde het departement aan. Twee reacties.

De advocatuur verleent rechtsbijstand aan iedere burger die dat nodig heeft; daarmee vervult zij een essentiele functie in onze rechtsstaat. Bovendien is de advocaat is een vrije ondernemer; dat is de basis voor zijn onafhankelijkheid. De client betaalt aan de advocaat voor zijn diensten een honorarium.

Traditioneel heeft de advocatuur ook rechtsbijstand verleend aan diegenen die daarvoor niet kunnen betalen. Dat geschiedde eerst zonder enige vergoeding, later op basis van een zogenoemde toevoeging tegen een symbolische vergoeding van de overheid.

Omstreeks 1975 kwam men tot het inzicht dat de overheid aan iedere advocaat een behoorlijke beloning dient te betalen voor zijn diensten aan zogenaamde on- en minvermogenden. De vergoeding werd opgetrokken, maar een behoorlijk niveau werd nooit bereikt. Daarna is verdere achterstand ontstaan. De minister van justitie is het met de advocatuur eens dat de vergoeding thans dient te worden verhoogd - hij spreekt van 25 procent.

In de laatste jaren is de omvang van de rechtshulp aan on- en minvermogenden aanzienlijk toegenomen. Daarvoor zijn vele verklaringen. De eerste is dat de regelgeving sterk is toegenomen. De tweede, dat vele mensen, meer dan vroeger, er inderdaad aanspraak op maken dat hun rechten worden waargemaakt. Zo komt het dat vele mensen behoefte hebben aan juridisch advies. Vele mensen wenden zich tot de rechter. Daarbij heeft men meestal de bijstand nodig van een advocaat.

Ongrondwettig

Minister Hirsch Ballin wenst nu te komen tot beheersing van de kosten van rechtsbijstand aan on- en minvermogenden. Hij heeft een concept opgesteld voor een wet op de rechtsbijstand. Daarin stelt hij (kort gezegd) voor dat voortaan vooral de buro's voor rechtshulp - die onder zijn financiele controle adviezen zullen geven aan on- en minvermogenden. Voor zover het nodig is procedures te voeren, wil de minister die toevertrouwen aan advocaten die zich door een contract moeten onderwerpen aan controle door de minister.

Door de minister is daarop aan de advocatuur gevraagd wat zij van dit concept vindt. De advocatuur heeft principiele en praktische bezwaren die zij grondig en to the point heeft toegelicht. Het belangrijkste bezwaar is dat de minister de onafhankelijkheid van de rechtshulp aan on- en minvermogenden aantast. De minister stuurt voorts aan op een situatie dat in strijd met de Grondwet de omvang van de rechtshulp aan on- en minvermogenden in het gedrang komt. De minister gaat voorbij aan andere mogelijkheden tot beheersing van kosten.

De toegezegde verhoging van de vergoeding met 25 procent wordt door de minister gekoppeld aan aanvaarding van de nieuwe wet. Daarbij is op te merken dat dus niet vaststaat of die wet er zal komen. De minister verwacht in ieder geval niet dat die wet in werking zal treden voor 1993. De minister wil op dit moment wel een beperkte 'financiele steun' geven aan advocaten die aantonen dat hun praktijk grotendeels uit toevoegingen bestaat waarmede zij niet meer dan een bepaald inkomen behalen. Dus een soort partieel inkomensbeleid. Daarmee lijkt de bewindsman een voorschot te nemen op de voorgestelde contractsadvocatuur. De advocatuur wijst dat af. Immers, iedere advocaat, of hij nu veel of weinig toevoegingen behandelt, heeft recht op een behoorlijke beloning voor zijn diensten aan on- en minvermogenden.

Mr. Spigt, de algemeen deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, heeft dit voorstel van de minister in een interview in NRC Handelsblad van 19 december dan ook gekarakteriseerd als het “voedselpakketten uitdelen aan mensen die het niet willen.”.

Vervolgens heeft mr. Demmink, hoofd van de Directie rechtshulp van het ministerie van justitie, zich in de krant van 22 december over de advocatuur uitgesproken. Hij zegt onder meer dat het commentaar van de advocatuur op de nieuwe wet nauwelijks een basis voor constructief overleg kan zijn en verder dat de Orde van advocaten er nu belang bij heeft dat de wet snel in werking treedt. Als ze nu al een verhoging van de toevoegingen had kunnen versieren, dan had de Orde voor de rest alle energie kunnen besteden aan het torpederen van het wetsvoorstel.

Volgens Demmink maakt Spigt maakt zich schuldig aan verbale polarisatie die misschien heel gewoon is bij een Amsterdamse studentenvereniging maar niet past in de verhouding tussen het ministerie en de Orde. Ik denk dat Spigt een beetje de draad kwijt is, maar dekens komen en dekens gaan. Het dekanaat van Spigt loopt per 1 maart ten einde.

Niet serieus

Ik maak mij echter ongerust over de wijze waarop mr. Demmink de discussie voert. Zoals gezegd heeft de minister de advocatuur om commentaar op zijn wetsvoorstel gevraagd en de advocatuur heeft dat op verantwoorde wijze gegeven. Kennelijk gaat mr. Demmink ervan uit dat het departement als enige weet wat goed is voor ons land en dat het voor de advocatuur dus niet passend is een andere visie te hebben. Ik ontzeg Demmink natuurlijk niet het recht over de rol van de advocatuur anders te denken dan de advocatuur zelf. Maar zijn kennelijke weigering de visie van de advocatuur serieus te nemen staat in de weg aan een discussie die zou kunnen leiden tot een weloverwogen resultaat.

Een ander punt is dat de minister de advocatuur de verhoging van de toevoegingsvergoeding onthoudt die hij heeft toegezegd. Mr. Demmink bevestigt dat Hirsch Ballin dat doet om zijn wetsvoorstel door te drukken. Dit is niet meer te zien als 'onderhandelen met enig wisselgeld'. Ik meen dat wij niet op deze wijze met elkaar behoren om te gaan.

Men stelt voor dat de advocatuur het belang van on- en minvermogende diensten verzaakt ten gunste van haar eigen belang. De vergelijking van de voorgestelde partiele steun met voedselpakketten lijkt mij toegestaan, ook in de verhouding tussen de Orde en het ministerie. Het feit dat deze beeldspraak zo treffend is, kan wellicht verklaren dat mr. Demmink zich daarover boos maakt.

Met de opmerking dat “Spigt de draad kwijt is” heeft mr. Demmink naar mijn mening de zakelijke discussie geheel verlaten en speelt hij op de man. Dat past niet aan het ministerie, en het past niet jegens mr. Spigt of de Orde. Ik zou het ministerie willen vragen terug te keren naar een passend niveau van discussie.

Mr. Demmink verwacht dat als het Dekanaat van mr. Spigt ten einde komt, de visie van de advocatuur een andere wordt. Ik zie geen grond voor die verwachting. In alle negentien arrondissementen hebben de plaatselijke orden over het wetsvoorstel vergaderd. Daarna heeft het College van afgevaardigden van de Nederlandse Orde het wetsvoorstel besproken.

Het lijkt mij verantwoord te zeggen dat de advocatuur dus in haar geheel het wetsvoorstel afwijst. Daarbij heeft de advocatuur overigens erkend dat er bepaalde problemen zijn en suggesties gedaan voor oplossingen. Er is met de advocatuur best te praten. Maar niet op de wijze van mr. Demmink.