Stromannen

“EEN COUP MET de Grondwet in de hand” is de jongste bijdrage van Suriname aan de “coupologie” genoemd. Dat was een wel zeer bitter grapje. In de Grondwet van 1987 hebben Bouterse c.s. zich een rol bedongen als “militaire voorhoede van het volk van Suriname” met een speciale taak ten aanzien van “de hoogste rechten van land en volk”.

Maar dat dan toch onder de clausulering dat het Militair Gezag de bevoegdheden van de andere organen in de staat respecteert. Dit laatste kan ten aanzien van president Shankar en vice-president Arron moeilijk worden volgehouden.

Het verloop van de coup is er naar. De Surinaamse militairen hebben zich verscholen achter de grondwetsbepaling die de Nationale Assemblee “het hoogste orgaan van de staat” maakt, waaraan de President bovendien “verantwoording verschuldigd” is. Tekenend is dat de mokkende ratificatie van het nieuwe staatshoofd - bij wie de constitutie tevens het opperbevel over de strijdkrachten legt - meteen de weg vrij maakte voor de herbenoeming van Bouterse, die de hele crisis nota bene had uitgelokt.

ALS DIT een aanzet tot nationale verzoening moet heten, dan is het helemaal de vraag hoe men zich in Suriname eigenlijk voorstelt de betrekkingen met Nederland te normaliseren. De bereidheid daartoe is bij gelegenheid van de verkiezingen en de Grondwet van 1987 aan Nederlandse zijde met zoveel woorden uitgesproken in de Troonrede. Nog in oktober verklaarde minister Van den Broek (buitenlandse zaken) realistisch niet met hulp te willen wachten “tot voor 100 procent vaststaat dat de Surinaamse regering in alle omstandigheden het laatste woord heeft”.

Maar hij kon er toen toch niet omheen “dat het Surinaamse leger nog te vaak ten onrechte een beroep doet op de Grondwet als het gaat om het handhaven van zijn machtspositie”.

Dat geldt nu a fortiori.

Het onbeschaamde staaltje militaire machtspolitiek weerspreekt ook de stelling dat Suriname zijn tegenprestatie voor de nog resterende ontwikkelingsgelden in feite reeds heeft geleverd door onafhankelijk te worden. Ten aanzien van een soevereine staat past Nederland geen dictaat. Maar er ligt wel een harde ondergrens in de vorm van een endemisch tekort aan burgerlijke bestuurskracht waarover in Suriname sinds de commissie-Chin a Sen (1981) keer op keer de noodklok is geluid. Dat was toch ook weer de kritiek op het bestel '87 van H. K. Fernandes Mendes in zijn Leidse proefschrift. Dat probleem wordt slechts verergerd door terug te vallen op stromannen zoals Kraag en Wijdenbosch in wezen zijn.

DEZE BENOEMING heeft dan ook terecht de VS en Venezuela niet weerhouden van maatregelen als reactie op de coup. Het is belangrijk dat het Surinaamse regime de harde waarheid niet alleen van Nederland hoort. Een door de EG gefinancierd advies voor sanering van de Surinaamse economie kan daartoe mede bijdragen. Dit vergt immers een burgerbestuur dat “de rug recht”, zoals Van den Broek het in oktober uitdrukte. Meer dan morele vertogen vanuit het voormalige moederland kan de voortgaande verloedering die bij ongewijzigd beleid onontkoombaar is, dienen als wal die het schip keert.