Ondraaglijke Gysbreght-persiflage

Voorstelling: De Gysbreght (Gysbreght van Aemstel) van Joost van den Vondel door Toneelgroep Amsterdam. Regie en decor: Rieks Swarte; kostuums: Carly Everaert; spelers: Dirk Roofthooft, Rafael Troch, Damiaan De Schrijver, Maarten Wansink e.a. Gezien 1-1 Stadsschouwburg, Amsterdam. Te zien t-m 13-1 aldaar.

Toneelgroep Amsterdam kan het niet laten keer op keer de rol van Burgerschreck te willen spelen, tot je er opstanding van wordt. Hoe treffend vertolkte acteur Maarten Wansink mijn gemoed bij de premiere van De Gysbreght, toen hij een staaltje 'modern acteren' ten beste gaf. Regissseur, duvelstoejager en aangever Rieks Swarte gaf eerst een kort inleidend hoorcollege over het 'moderne acteren tegenover het klassieke acteren'. Wansink kwam op, zette zich op de rand van het toneel en riep smartelijk: “Ik wil hier weg!” Bleef vervolgens zitten. Het toneel van deze tijd in een notedop, voor arbeiders verklaard. Juist: “Ik wil weg, wat moet ik hier,” en toch blijven zitten in de hoop dat de voorstelling misschien nog ten goede keert. Het was alles vergeefse moeite.

Het meest hinderde mij de aanwezigheid van de acteurs. In gedachten bande ik ze weg van het podium, waar ze eigenlijk niets anders stonden te doen dan het zicht ontnemen op het sfeervolle, intieme Amsterdamse decor van Rieks Swarte. Met dreunend, bombastisch stemgeluid baanden ze zich amechtig een weg door Vondels verzen. Het was alsof ze al hardop pratend - want van dictie was geen sprake - in een koets met houten wielen over Vlaamse kinderkopjes reden: ze rammelden de heffingen en dalingen van de alexandrijnen er maar zo'n beetje uit. Er was geen zin die klonk.

Grootste vergissing van deze Gysbreght is dat het een persiflage zou moeten zijn op het klassieke acteren, waarin elk woord in gebaar en houding een illustratieve uitbeelding krijgt. De ronde aarde - en ja hoor, daar beschrijven de handen een cirkel door de lucht. Het is een vondst die na een kwartier nauwelijks nog draaglijk is, om de eenvoudige reden dat de acteurs elk talent ontberen. Alleen Maarten Wansink in de rol van Vosmeer, de spie, kan zijn woorden plaatsen en staat boven zijn tekst in plaats van dat de tekst hem, zoals bij de andere spelers, verplettert. En wie geen taalgevoel heeft, bekommert zich niet om de tekst en jaagt hijgend naar het eind van de versregel. De Gysbreght als aanleiding tot flauwiteiten, want waarom zou je ook in godsnaam een tekst serieus nemen, niet? Die Gysbreght, dat weten we nu wel lijkt elke vondst uit de roepen.

Het decor was prachtig, jammer dat de acteurs ervoor stonden, zelfs in hun historiserende kostuums met beenkappen en helmen met vederbos. Rieks Swarte zaagde het Amsterdamse stadsbeeld met bruggen en torens uit triplex en liet zelfs rook uit schoorstenen komen. Na het beleg knakten de torens treurig (de Wester, de Zuider, de Montelbaenstoren) en brandde de stad, uitgebeeld door een doek met vlammen en rook langzaam tegen de achtergrond op te hijsen. Swarte's visuele inventiviteit gaf tenminste nog een sprankje euforie, hoewel dat telkens snel werd gedoofd als ik weer moest luisteren naar Dirk Roofthooft als Gysbreght of een van de omslachtig vertelde bodeverhalen. Arme gefiguurzaagde stad Amsterdam, om op Nieuwjaarsdag in de schouwburg zo ellendig ten onder te moeten gaan.