Nijholt keert na tien jaar terug in een lichtere versie van Amadeus

Voorstelling: Amadeus, van Peter Shaffer. Spelers: Willem Nijholt, Paul Rottger, Wilke Durand, Will van Selst, Tom van Beek, Niek Pancras, e.a. Decor en kostuums: John Bogaerts. Vertaling: Coot van Doesburgh. Regie: Willem Nijholt. Gezien: 1-1 in Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Aldaar ook 4 t-m 6-1, daarna elders.

Antonio Salieri is opnieuw beroemd geworden. De eerste keer was hij dat tijdens zijn leven (1750-1825), als componist aan het hof van de Oostenrijkse keizer Joseph II, waar hij in hoog aanzien stond om zijn conventionele muziek. Reeds op latere leeftijd was hij vergeten. “Ik mocht doorleven om mee te maken dat ik uitgestorven was,” zegt hij in het uit 1979 daterende toneelstuk Amadeus van Peter Shaffer, dat hem voor de tweede keer beroemd maakte. Nu niet als vooraanstaand componist, maar als de jaloerse moordenaar van zijn briljante tijdgenoot Mozart. De door Shaffer met zoveel brille uitgewerkte mythe van die moord is - vooral sinds de wervelende verfilming - bijna een historisch feit geworden. De middelmatige Salieri groeide na tweehonderd jaar uit tot een monumentale toneelfiguur.

Geen wonder dat Willem Nijholt de rol, die hij tien jaar geleden al bij de Haagse Comedie vertolkte, graag nog eens wilde spelen. Toen schiep regisseur Guido de Moor een sobere voorstelling in zwart-witte taferelen, die veel indruk maakte. Nu presenteert de vrije producent John van de Rest een versie in iets lichtere tinten, in de regie van de hoofdrolspeler en met meer kleur. Er is een massief, houtkleurig blokkendecor opgetrokken met een blanco achterdoek, helaas nogal drabbig belicht, maar minder onheilszwanger dan in de Nederlandse oerversie. Bovendien heeft Shaffer zijn tekst naderhand zodanig toegespitst, dat er meer directe ontmoetingen tussen Salieri en Mozart plaatsvinden.

In die confrontaties speelt Nijholt een goed gemanierde, soms zelfs uitgesproken vriendelijke man, die uit puur opportunistische motieven de in geldnood verkerende Mozart een schijnbaar helpende hand toesteekt. Dat maakt hem aan de buitenkant minder demonisch, zijn ogen schieten alleen nog vuur als hij in zijn eentje het volgende plan beraamt. Hij lijkt nu veel menselijker dan in de film, waarin zijn wraakzucht bovenmenselijke proporties aanneemt. Tijdens de biecht, vlak voor zijn dood, is deze Salieri vooral een cynicus geworden, die als een gepensioneerde variete-artiest nog een keer zijn oude trucs opvoert. In de film speelde F. Murray Abraham op die momenten een geknakte man met het leed van de wereld op zijn schouders. Nijholt wekt daarentegen de indruk dat hij eigenlijk wel tevreden is over zijn manipulaties van toen. Hij wordt daar minder eenduidig van, maar - onvermijdelijk - ook minder grijpbaar.

Duidelijk blijft in elk geval, dat Salieri het niet met zijn religieuze opvattingen kan verenigen, dat God zulke hemelse muziek laat schrijven door zo'n eigenwijs opdondertje en Zijn trouwe dienaar afscheept met aards succes. Uit de rolopvatting van Nijholt leid ik af, dat hij Salieri een door het geloof misleid man vindt - die God van hem is een waanidee.

Paul Rottger beantwoordt als Mozart aan het beeld dat we nu van hem hebben: een klein verwend kereltje, een billenknijpende puber die intens verzekerd is van zijn fabelachtige talent, een goudhaantje dat door de miskenning zijn uiterlijke glans verliest. In die latere scenes is hij niet opgewassen tegen het door Shaffer wellustig uitgebuite melodrama, hij wordt dan alleen maar huilerig. Datzelfde geldt voor Wilke Durand als Konstanze. Maar mijn kritiek geldt op dat punt ook de schrijver; de dynamiek van zijn stuk wordt een paar keer hinderlijk verstoord door veel te pathetische passages en door zijn neiging alle gevoelens van Salieri uit te leggen, ook als de acteur die allang heeft gesuggereerd. Tegen die tekstuele overdaad is niet altijd op te spelen.

Het mag symbolisch heten, dat Nijholt deze respectabele Amadeus zelf regisseerde; de gebeurtenissen zijn volgens de auteur immers door Salieri's ogen gezien en vertekend. Zelf is hij de subjectieve gids door de geschiedenis. Zijn verhaal is hier een gestileerde voorstelling, een statige en vaak aanstekelijke poppenkast vol geblankette pruikenkoppen en bijpassende machinaties, die ook tien jaar later nog openstaat voor heel wat interpretaties.