Koppelen en beschaving

ANGSTVALLIG ZAL de komende tijd de politieke meetlat bij CAO-besprekingen in tienden van procenten langs de sociale partners worden gelegd. Kan er nog worden 'gekoppeld' of niet? In het regeerakkoord is de koppeling van sociale uitkeringen aan de loonontwikkeling als een ijkpunt van nieuw beleid opgenomen. De Partij van de Arbeid zat weer in de regering en dat dienden de kiezers te merken. Aan die koppeling werden weliswaar twee voorwaarden verbonden, te weten de omvang van het aantal uitkeringsgerechtigden en de hoogte van de loonstijgingen. Dat was verstandig, want anders zou de koppeling verdacht veel lijken op een blanco cheque.

Een voorwaarde ontbrak destijds nog - en dat ligt op het ogenblik politiek gevoelig - namelijk de stand van de staatsfinancien. Als er teveel geld naar andere zaken gaat, door tegenvallers, door falend beleid, door rente-ontwikkelingen etcetera, dan zou de koppeling in gevaar kunnen komen. Tenzij de regerende partijen het ritueel voortzetten om iedereen tevreden te stellen en dus de kosten doorschuiven naar later, wat neerkomt op een nog hogere staatsschuld.

INMIDDELS DREIGT de hele discussie alweer een al te Nederlandse draai te krijgen. Het geweten komt tevoorschijn, een verholen nationaal superioriteitsgevoel wordt gebotvierd en een praktische discussie van de weg gereden. Dat gaat zo: koppeling heet een vorm van beschaving. Met andere woorden, wie vraagtekens zet bij de koppeling is onbeschaafd. En passant worden diverse Europese landen, waaronder onze beide buurlanden, een stukje teruggeduwd op de beschavingsladder, want zij werken niet met het koppelingsmechanisme.

Op zulke termen valt niet te discussieren, omdat keuzes bij voorbaat worden gegoten in termen van goed en kwaad. De kwestie is daar te eenvoudig en te praktisch voor. Of de uitkeringen en subsidies gaan wat minder omhoog dan de lonen, zodat de prikkels om aan de slag te gaan worden vergroot, of uitkeringen en minimumlonen blijven aan elkaar gekoppeld en dan moet er strenger worden gecontroleerd op de naleving van de regels - voorbeeld Zweden - en dan niet alleen door de betrokkenen maar ook door de uitvoerende instanties. Controle op de controleurs dus ook.

De keuze tussen beide is Nederland tot nu toe steeds uit de weg gegaan, en ook nu zijn er meerderheden te vinden die elkaar verlammen: een meerderheid voelt intuitief voor de koppeling en een andere meerderheid verzet zich tegen de snuffelstaat. Dat zich zonder een politiek verantwoorde keuze nog weleens een derde meerderheid zou kunnen vormen - die van de 'berekenende burger' - ligt voor de hand.

POLITICI discussieren gelukkig al wat vaker en openhartiger over deze aspecten van de koppeling. Dat is goed, omdat het de kosten en baten van de diverse opties laat zien. Derhalve zou het ook goed zijn om in het verdere debat de beschavingsnorm te negeren. Wie koppeling een vorm van beschaving noemt heeft zijn of haar punt in termen van solidariteit en bevlogenheid gescoord, maar verder gaat het om een praktische afweging van voor- en nadelen en het vaststellen van grenzen. Zoals op deze plaats al vaker is betoogd: een automatisme hoeft de koppeling nooit te zijn, omdat zoiets het denken uitschakelt.