De 'witte' kinderoppas

Sommige werkende ouders omzeilen de lange wachttijden bij de gesubsidieerde centra voor kinderopvang; zij betalen zelf een kinderoppas. Enkelen nemen zelfs de kinderjuf in dienst, alle rompslomp en extra kosten op de koop toe nemend. Zulke wetsgetrouwe burgers, mini-strijders tegen werkloosheid, rekenen natuurlijk op de steun van de overheid. Vergeet het maar, zelfs een fiscale aftrekpost zit er voor hen niet in. Het vorige kabinet is steeds bikkelhard geweest in deze zaak, ondanks grote druk van de oppositie. Op de valreep van het afgelopen jaar veranderde de situatie evenwel drastisch ten gunste van de ouders met kinderoppas. De beslissende stem kwam uit een onverwachte hoek, de stem van onze hoogste rechter: de Hoge Raad.

Het verrassende rechterlijke oordeel is uitgelokt door een man die net als zijn vrouw de hele dag in loondienst werkt. Zij hebben twee kinderen, van drie en vijf jaar. Hun gezamenlijke inkomen zal in de richting van de anderhalve ton liggen. Zij besloten daaruit de kosten van een eigen kinderoppas te betalen. Als hun kinderen naar een gesubsidieerde instelling voor kinderopvang waren gegaan, zou dat (in 1985) 7.848 gulden hebben gekost. Als zij op de zwarte markt een prive-kinderoppas hadden gezocht, dan waren zij twee keer zo veel kwijt geweest. Nu zij voor de legale weg kozen, kostte de kinderopvang vier maal zo veel als de gesubsidieerde oplossing.

Met dat gevolg kon de man vrede hebben, mits hij als tegenprestatie voor zijn eerlijkheid een fiscale aftrekpost voor deze uitgaven kon incasseren. De inspecteur ging daarmee evenwel niet akkoord. Als de belastingbetaler het fiscale recht goed had gekend, zou hij het er op dat moment bij hebben laten zitten. Tot voor de hoogste rechter toe, heeft de belastinginspecteur namelijk altijd gelijk gekregen bij het schrappen van aftrekposten voor kinderopvang. Maar de man ging niet uit van een juridische redenering; hij voelde een 'flagrante strijd met zijn rechtsgevoel' en vond dat hij werd 'afgestraft voor het 'wit' in dienst nemen van een particuliere kinderoppas'. Met zulke argumenten moet men de politici bestoken. Bij de rechter tellen ze niet mee. Toen zijn zaak kansloos voor de Haagse belastingrechter lag, kreeg zij evenwel een nieuwe wending.

De voormalige staatssecretaris van financien, mr. H. E. Koning, gaf zijn belastinginspecteurs in april 1988 de opdracht soepeler om te gaan met de problematiek van de kinderopvang. Voortaan zou het loon dat men krijgt als tegemoetkoming in de kosten voor een eigen kinderoppas, (goeddeels) buiten de belastingheffing vallen. Met andere woorden, de staatssecretaris beschouwde - tegen de heersende opvattingen in - de kinderopvang in die situatie wel degelijk als een aftrekbare kostenpost. De procederende werkende vader is een voorbeeld van iemand die zelf voor de kosten moet opdraaien, maar hij kreeg geen cent van zijn werkgever vergoed. Hij viel dus buiten de uitzonderingsregeling van Koning. Toch vond hij dat de fiscus hem het fiscale douceurtje niet mocht weigeren. De belastingrechter in Den Haag was dit evenwel niet met hem eens. In antwoord op Kamervragen liet ook staatssecretaris Koning onomwonden weten dat het kabinet zo'n ruime uitleg absoluut niet wenste.

Al deze meningen ten spijt, redeneerde onze hoogste belastingrechter, de Hoge Raad, de andere kant uit. In een nog niet gepubliceerde uitspraak van 12 december, concludeert de Raad namelijk dat Koning op een onaanvaardbare wijze verschil maakte tussen twee gelijke situaties. Als de bewindsman goedkeurt dat de kosten van kinderopvang voor werkende ouders aftrekbaar zijn, dan mag hij dat soepele standpunt niet reserveren voor de gevallen waarin de werkgever in de kosten bijdraagt. Die soepelheid moet de inspecteur dan ook tonen bij iemand die de kosten volledig zelf betaalt. Voor de procederende belastingbetaler betekent dit dat hij de kosten toch mag aftrekken, voor zover zij meer zijn dan wat een gesubsidieerde instelling hem in rekening zou brengen. Men moet zijn kosten natuurlijk kunnen aantonen: ze moeten 'wit' zijn. Maar het is niet nodig dat men - zoals in het berechte geval - de oppas in dienst neemt. Door het nieuwste standpunt van de Hoge Raad, zal legaal handelen al snel goedkoper zijn dan de 'zwarte' oplossing.

Deze uitspraak is dan ook van groot belang voor anderen die dergelijke kosten voor kinderopvang moeten maken. Bovendien kan zij de wachtlijsten bij de gesubsidieerde kinderopvangcentra verminderen. Men zou kunnen zeggen dat de Hoge Raad tegen de uitdrukkelijke wens van de regering in, een (fiscale) subsidie heeft toegestaan voor iedereen die een 'witte' kinderoppas heeft.

Helaas schuilt er nog een addertje onder het gras. Het kan namelijk toch nog zo zijn dat de ongelijke behandeling die de Hoge Raad nu niet heeft geaccepteerd, in een volgende procedure wel degelijk wordt aanvaard. Dat is het geval als voor zo'n ongelijke behandeling een, zoals de Raad dat noemt, 'redelijke grond' bestaat. De betrokken belastinginspecteur heeft in de onderhavige procedure evenwel vergeten zulke mogelijke rechtvaardigingsgronden aan te voeren. De Hoge Raad moest daarom om formele redenen dat punt onbesproken laten. Het kan dus gebeuren dat een andere inspecteur het in een andere procedure beter doet en de ongelijke behandeling verdedigt met argumenten die de Hoge Raad overtuigen.

Het is nu afwachten wat de huidige staatssecretaris van financien, drs. M. J. van Amelsvoort, gaat doen. Handhaaft hij het strakke standpunt van zijn voorganger en wacht hij totdat een andere inspecteur de zaak beter aanpakt, of schept hij duidelijkheid door de belastingdienst op te dragen nu voor iedereen maar soepel te zijn met de kosten van kinderopvang?