De vrije vogels van het Russische Verre Oosten

De havenstad Nachodka, eindpunt van de Transsiberische spoorlijn even benoorden Vladivostok, is de eerste stad in de Sovjet-Unie die de status van vrije economische zone heeft verworven. In de toekomst maakt de hele provincie Primorje, met Vladivostok als hoofdstad, aanspraak op die status. Een bezoek aan de vrije vogels van het Russische Verre Oosten.

De zoutgrot is de trots van Abram Borovik, directeur van het vriesdepot in Oessoerisk. Het depot - 5000 werknemers en 4000 diepgekoelde treinwagons - verzorgt 11,5 procent van alle transport van snelbedervende goederen in de Sovjet-Unie. Van de 23 vergelijkbare bedrijven in de Sovjet-Unie is dat van Borovik het grootste. Maar zijn trots is en blijft de zoutgrot in het sanatorium dat hij voor zijn werknemers op het bedrijfsterrein heeft gebouwd. Het is een grotvormige kamer, bekleed met zoutkorrels en -brokken. Zeezout knerpt onder je voeten, zout kleeft tegen de wanden en het plafond. Bij gedempt licht neem je plaats in met witte lakens bedekte luie stoelen. De deur gaat dicht, het is koel en schemerig, en na vijftien minuten maakt een weldadige rust zich van de werknemer meester.

Behalve de zoutgrot heeft het sanatorium een binnen- en buitenbad, door een ondergrondse watergang met elkaar verbonden, een exotische wintertuin, massage-installaties en trainingsruimtes. Een hogedruksluis, de zogenoemde 'barokamer' - aantrekkelijke subtropica op de muren geschilderd - biedt plaats aan 'hypertonici', mensen met hoge bloeddruk, die hier twee weken hermetisch worden afgesloten van de buitenwereld om hun bloeddruk kunstmatig te doen dalen. Het sanatorium heet Regenboog en de directeur heeft, zoveel is duidelijk, het beste met zijn werknemers voor. En dat in Oessoerisk, een van de vergeten garnizoensstadjes aan de Chinees-Russische grens, tachtig kilometer ten noorden van Vladivostok!

De zee-provincie Primorje in het Russische Verre Oosten, met de hoofdstad Vladivostok en de vrijhaven Nachodka, moet in de toekomst een van de vrije economische zones van de Sovjet-Unie worden. Het aanlokkelijke idee van onbelemmerde handel met het buitenland, binnenstromende dollars en consumptiegoederen en volledige onafhankelijkheid van Moskou zien velen hier als enige redmiddel uit het steeds dieper wordende moeras waarin de economie wegzinkt.

In Vladivostok kijkt men daarbij vooral naar het Chinese voorbeeld, naar Hongkong en Taiwan, en lonkt men naar het rijke Japan, dat zich voorlopig nog betrekkelijk gereserveerd ten opzichte van de Sovjet-Unie opstelt. Dat heeft deels politieke oorzaken - een oplossing voor de territoriale steen des aanstoots tussen Japan en de Sovjet-Unie, de Japanse Koerillen-eilanden die na de Tweede Wereldoorlog door de Sovjet-Unie zijn bezet, is nog niet in zicht - maar deels ook puur economische: voor Japan is voorlopig geen direct voordeel te halen bij grootscheepse investeringen in de onderontwikkelde westerbuur.

In Vladivostok hoopt men op een verbetering van de betrekkingen na Gorbatsjovs bezoek aan Japan, dat in het voorjaar moet plaatshebben, al laten nuchtere geesten zich door die reis ook weer niet het hoofd op hol brengen.

Behalve Vladivostok hebben ook Leningrad, Kemerovo, Novgorod, Vyborg, Kaliningrad en Tsjita zich voor een speciale status aangemeld. Op het even boven Japan gelegen eiland Sachalin loopt de nieuwe gouverneur, de Moskouse professor economie Valentin Fjodorov, rond met vergaande plannen om van zijn onherbergzame rijkje een belastingparadijs te maken voor buitenlandse investeerders.

De Russische president Boris Jeltsin steunt dergelijke plannen en ook de onlangs afgetreden minister van buitenlandse zaken Edoeard Sjevardnadze heeft er zich tijdens zijn bezoek aan Vladivostok positief over uitgelaten. Voorlopig is het enige concrete resultaat een in oktober na felle tegenstand genomen beslissing van de Opperste Sovjet (het parlement) van Rusland om de haven Nachodka de status van vrije economische zone te geven. Gezien de voortdurende conflicten tussen het Russische parlement en het Unie-parlement is dit besluit niet voldoende om tot handelen over te gaan.

Het wachten is nu op een speciaal decreet van president Gorbatsjov of een besluit van de ministerraad, waarin voor Nachodka een uitzonderingspositie wordt gecreeerd.

Pag. 17: Vrije economische zone Nachodka houdt speculanten buiten de deur; 'Zone' heeft de negatieve bijklank van een strafkamp Voor Vladivostok ligt de zaak veel gecompliceerder. De stad was tot 1988 een hermetisch gesloten militaire haven en men moet eerst met de militaire autoriteiten tot overeenstemming komen voordat de poorten opengaan.

Nachodka is een kleine havenplaats, 180 kilometer ten noord-oosten van Vladivostok. Tot voor kort was het de enige open stad van het gebied, dat volgestouwd is met militaire installaties, vliegvelden en havens. Nog in opdracht van Brezjnev legden Japanners in de jaren zeventig in een natuurlijke baai de Oostelijke haven aan, voorzien van een moderne infrastructuur. In ruil daarvoor genieten de Japanners bepaalde privileges bij de exploitatie van de haven. Deze haven, denken de bestuurderen van Nachodka, zal hen in de toekomst geen windeieren leggen. De eerste stap naar de vrijheid is in Nachodka al gezet: de militia heeft de opdracht gekregen controleposten bij de toevalswegen in te richten. Bezoekers van de vrije zone kunnen in de toekomst alleen nog maar met speciale toestemming de stad bezoeken. Dit om te voorkomen dat het speculantendom zich onmiddellijk van de voorlopig nog utopische rijkdom meester maakt.

Wat moet de vrije zone de buitenlandse investeerders straks bieden? Belastingvrijstelling voor alle winst die in Nachodka zelf wordt besteed, tien procent belasting op winst die wordt uitgevoerd, vrije in- en uitvoer van dollars, belastingvrijstelling op import, garanties tegen confiscatie en nationalisatie van goederen en bedrijven. In Nachodka, waar zestien joint ventures zijn geregistreerd, gaan de gedachten in eerste instantie uit naar bouwprojecten, visverwerkingsindustrie, metaalafval, dienstverlening, scheepsbouw, toerisme en goederenoverslag.

Buitenlanders kunnen grond kopen voor woningbouw, wegenbouw en andere maatschappelijk nuttige ondernemingen. De eerste resultaten zullen voor de bewoners, zo denkt de jonge locoburgemeester Nikolaj Kretsu, pas over vijf a zeven jaar voelbaar zijn. Eerst moet de gemeente nog ontelbare problemen oplossen. Zo zijn er in Nachodka 22 grote bedrijven die eigendom zijn van de Unie-ministeries van visserij, scheepvaart en transport. De gemeente, aldus Kretsu, stelt voor dat de bedrijven zelf bepalen of ze zich los willen maken van de unie-ministeries, die nog het best vergelijkbaar zijn met monopolistische concerns. “Dat moet wel met overleg en in alle geleidelijkheid gebeuren, want de bedrijven zijn tot op heden totaal afhankelijk van toeleveranties uit het centrum. Het is niet eenvoudig zelfstandig leveranciers te vinden.”

Volgens Kretsu begrijpen de ministeries evenwel dat dit een onvermijdelijke ontwikkeling is en zullen de onderhandelingen in pais en vree worden gevoerd. Een ander struikelblok vormen de militairen, die in de hele provincie zeer dominant aanwezig zijn. Nachodka heeft geen vliegveld en het is zonneklaar dat een vrije economische zone zonder vliegveld een absurditeit is. De gemeente heeft de militairen nu voorgesteld een deel van het nabijgelegen militaire vliegveld af te staan. Voorlopig hebben de militairen daar geen oren naar. De president zal zichzelf in dat conflict moeten mengen.

Het woord 'zone' heeft voor ons de negatieve bijklank van een strafkamp, zegt de Vladivostokse schrijver Joeri Kasjoek, zelf zoon van een kampbewoner. “Vroeger had het woord 'zone' voor ons de betekenis van een gruwelgebied, omgeven door een min of meer normaal leven, met de vrije economische zone is het precies omgekeerd”, grapt hij. De keuze van Nachodka als eerste vrije economische zone noemt Kasjoek ongelukkig. In Nachodka ontbreekt de hele infrastructuur die in Vladivostok al voorhanden is. Natuurlijk liggen in Vladivostok de militairen dwars, maar Kasjoek is ervan overtuigd dat die zich binnen de kortste keren zelf tot superkapitalisten zullen ontwikkelen.

Hij is daarvoor trouwens allerminst benauwd. Vladivostok heeft vooral in cultureel opzicht erg geleden onder het militaire isolement. In de jaren twintig was het een internationale havenstad, waar de kinderen op straat Chinees, Japans en Koreaans spraken. De Japanners werden in 1922 verjaagd, de Chinezen en Koreanen in 1937 en de stad hulde zich in een winterslaap, waaruit ze nu langzamerhand aan het ontwaken is.

De derde hoofdstad van de Sovjet-Unie, na Moskou en Leningrad, zo noemt men Vladivostok hier in het Verre Oosten. Russische kolonisten en kozakken stichtten de stad in 1860. De naam betekent 'Beheers het oosten'. Zoals Leningrad een raam moest openen naar het westen, zo moest Vladivostok de opening naar het oosten worden. Maar helaas, aan het eind van de jaren twintig ging het raam dicht, en pas tijdens Chroesjtsjov ging het weer op een kiertje.

'San Francisco' noemen de 800.000 inwoners hun stad ook wel liefkozend, omdat ook Vladivostok aan een mooie baai in de Stille Oceaan ligt en op heuvels is gebouwd. Ook hier kreunt de Streetcar named Desire langzaam tegen de helling op. Van de oude stad is helaas bitter weinig overgebleven. In het centrum zijn veel lelijke flatgebouwen verrezen. Maar de haven is prachtig als alle havens en bij straffe oostenwind staan er venijnige witte koppen op de blauwe golven. Joeri Kasjoek houdt van zijn stad en ziet voor haar een gouden toekomst in het verschiet.

Van Rafik Alijev, directeur van het Instituut voor economische en internationale problemen van de exploratie van de zee, mag de ontwaking uit de winterslaap best met enige hardhandigheid gepaard gaan. De japanoloog en sinoloog - tot voor kort medewerker van het gezaghebbende Moskouse IMEMO (Instituut voor internationale betrekkingen) - noemt zichzelf een extremist. Hij is voor heroprichting van de republiek van het Verre Oosten (die tijdens de burgeroorlog van 1920 tot 1922 heeft bestaan), voor een radicale breuk met Moskou en een herorientatie van de economie op Oost-Azie en Amerika.

Gorbatsjovs argument dat de Unie bijeen moet blijven om economische redenen noemt Alijev 'propaganda'. “Hoe sterker een economie, hoe nuttiger integratie is. Kijk maar naar de EG. Maar een zwakke unie moet uiteenvallen, om nieuwe economieen te doen ontstaan die over dertig, veertig jaar via een natuurlijke weg naar integratie kunnen streven. Onze zogenaamde Unie-markt was gebaseerd op louter geweld, op simpele roofzucht.”

De Sovjet-Unie is ten prooi aan de atrofie van de macht. Zelfs provincies en steden gehoorzamen al niet meer aan de wetten die Gorbatsjov en Jeltsin afkondigen. Niet alleen de Unie, ook de Russische federatie moet volgens Alijev worden ontbonden. Ook een tweede door Gorbatsjov vaak aangevoerd economisch argument voor instandhouding van de Unie - het argument dat de produkten van vaderlandse bodem de concurrentie met de wereldmarkt niet kunnen doorstaan - veegt Alijev van tafel. “We moeten onze wanhopige economie niet beschermen. Integendeel, alle grenzen moeten open, zodat ons volk niet meer wordt gedwongen die inferieure produkten te kopen en onze slechte fabrieken over de kop gaan. Anders wordt het nooit wat. Winst, en niet de mens is het doel van de vrije markteconomie!”.

Alijev is overigens realist genoeg om zich niet te veel illusies te maken over de economische betrekkingen met Japan. Zelfs als de kwestie van de Koerillen wordt opgelost, blijft het economisch niveau tussen beide partners zo verschillend dat de Japanners eerst de kat uit de boom zullen kijken. “Toen Japan en China hun diplomatieke betrekkingen in 1972 herstelden, ontstond er in Japan een euforische stemming over de ontsluiting van een gigantische afzetmarkt. Elke Chinees een dekentje is een miljard dekens. De resultaten zijn nogal tegengevallen. Voorlopig is Japan alleen geinteresseerd in onze grondstoffen.”

Het bezoek van Gorbatsjov aan Japan zal volgens Alijev voornamelijk een psychologisch effect hebben. Er is nog nooit een hoge Sovjet-leider in Japan geweest en dat raakt de Japanners in hun chauvinistische ziel. De lokale autoriteiten in Vladivostok voeren nu een verstandige politiek van kleine stappen en het aanknopen van culturele en economische betrekkingen met Japan op laag niveau. Wel zijn ze, zegt Alijev, het slachtoffer van bepaalde illusies, bij voorbeeld over de opbloei van het toerisme. “Waarom zou een Japanner op vakantie gaan in Vladivostok als hij net zo makkelijk naar Thailand kan gaan?”

Abram Borovik, dat voel je meteen, is een echte directeur met een grote dosis gezond verstand en koopmansmentaliteit en het idee van de vrije economische zone spreekt hem aan. Als Moskou hem zijn gang maar liet gaan, zou het in Oessoerisk dik voor elkaar komen. Borovik verenigt in zijn ziel de kapitalistische handelsgeest en het oude socialistische arbeidersmaecenaat. Wandelend door Oessoerisk wijst hij met gepaste trots op de huizen die hij voor zijn arbeiders heeft gebouwd, de drukbezochte elegante Chinese schaakclub, de peuterspeelplaats en de polikliniek. Binnenkort, zegt hij, begin ik met de bouw van honderd cafe's in de stad, waar aan de muur moet komen te hangen 'Hier vindt u altijd warme pelmeni, koud bier en vers ijs'. Zijn laatste plan lijkt geen overbodige luxe in het kille en ongastvrije grensplaatsje waar de jeugdcriminaliteit de laatste jaren een hoge vlucht heeft genomen.

Borovik hangt in Oessoerisk om verschillende redenen de maecenas uit. Enerzijds is er verder niemand die huizen en klinieken bouwt, de gemeentekas is leeg. Anderzijds is het voor hem niet voordelig om al te grote winst te maken want dat verdwijnt toch allemaal naar Moskou. De winst van zijn bedrijf is nu twee a drie miljoen roebel per jaar en hij streeft er niet naar die winst te doen groeien.

Borovik heeft de laatste jaren goed geboerd omdat hij er niet voor terugschrok voortdurend de regels en wetten te overtreden die een Sovjet-ondernemer het werken schier onmogelijk maken. Hij maakt zich over de vrije economische zone van Vladivostok nog niet al te veel illusies. Zolang er geen duidelijke wetgeving is, gelooft hij nergens in. “Ik mag mijn buitenlandse partners niet beduvelen. Ik moet mijn rechten en plichten ten opzichte van de staat weten, want voorlopig weet niemand waaraan hij toe is. Zolang de wetgeving nog bijna dagelijks wordt gewijzigd, kan ik niet met buitenlanders in zee gaan. Ik wou dat ze me vijf jaar rust gaven zodat ik de boel op poten kon zetten.”

Een tweede probleem noemt hij de psychologie van de mensen. Ze zijn afgunstig en ieder streeft ernaar de ander neer te halen naar zijn eigen niveau. Borovik heeft een wekelijkse bijeenkomst met zijn arbeiders waarbij hij ze probeert te stimuleren tot nevenactiviteiten. Borovik is een stugge werker. Succes ziet hij pas op zeer lange termijn in het verschiet.

Zijn zoon Boris lacht om zijn vaders idealisme. Met zijn 32 jaar heeft Boris, na een paar moeizame pogingen om een cooperatief bedrijfje op te zetten, zijn buik al vol van de perestrojka. Het wordt hier nooit wat, stelt hij mismoedig vast. “Gorbatsjov is de perestrojka van de verkeerde kant begonnen”, zegt Borovik. “We hadden eerst een nieuw Unie-akkoord moeten opstellen. Hoe kun je je economie op poten zetten wanneer er op straat wordt geschoten? De economie moet de politiek juist steeds een beetje voor zijn. De inertie van onze economie is enorm. Daarom moeten de economische hervormingen worden bespoedigd, maar de politieke worden afgeremd”.

Borovik noemt het Sovjet-systeem uniek en veel sterker dan het Westen vermoedt. “Wij maken produkten waarnaar geen vraag is, dat is nog nergens ter wereld vertoond. Zeventig procent van onze produktie is volstrekt zinloos. Neem bij voorbeeld projecten als het omkeren van de grote Siberische rivieren, of houtkap terwijl het hout niet kan worden afgevoerd. Wij hebben de economie vernietigd door in het niets te investeren.”

De directeur heeft een originele oplossing voor dit probleem bedacht en hij noemt het civiele conversie. Volgens zijn berekeningen produceren circa vijftien miljoen mensen volstrekt nutteloze voorwerpen. Als zij ontslagen worden, ondervindt de maatschappij daarvan dus geen enkele schade. Daarbij kunnen zij hun volledige salaris behouden want zelfs het doorbetalen van deze werknemers is aanzienlijk goedkoper dan het blijven produceren van nutteloze voorwerpen. Om rijker te worden moeten wij minder gaan werken, zegt Borovik. “Dringt de absurditeit van die frase wel goed tot u door?”