BEROEMDE ATLAS HERDRUKT

Atlas van Tropisch Nederland. Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap in samenwerking met den Topografischen Dienst in Nederlandsch-Indie. Batavia 1938 Facsimile-editie door Antiquariaat Gemilang, Landsmeer 1990 (tel. 02908-5404), tot 31 december 1990: f 250, - (KNAG-leden f 185, -); daarna f 350, - ISBN 90 72770 24 2

In 1938 verscheen in Batavia, het huidige Jakarta, de Atlas van Tropisch Nederland. De atlas, een van de eerste nationale atlassen ter wereld (de eerste Atlas van Nederland verscheen in afleveringen tussen 1963 en 1977), was meteen een groot succes. Al in 1939 werden er plannen voor een herdruk gemaakt. Maar door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het ontstaan van de Republiek Indonesie is het daar niet meer van gekomen.

Veel mensen die vroeger in Nederlandsch-Indie hebben gewoond, zullen blij zijn met de heruitgave van deze atlas. Velen hadden hem in 1938 aangeschaft, maar, toen de Japanners begonnen aan hun opmars in Zuid-Oost-Azie, kregen zij van het Ministerie van Oorlog het verzoek hun atlas in te leveren bij de Topo-grafische Dienst van Nederlandsch-Indie, onderdeel van datzelfde ministerie. Reden: de kaarten mochten niet in handen vallen van de eventuele veroveraar. Velen gaven gehoor aan dat verzoek. De opmars van de Japanners ging echter zo snel dat de Topografische Dienst geen kans zag de ingeleverde atlassen te vernietigen of onvindbaar te verbergen. De Japanners troffen ze volgens prof. dr. F. J. Ormeling sr., van 1948 tot 1955 hoofd van het Geografisch Instituut van de Topografische Dienst in Jakarta, 'in keurige stapels' aan en hebben er dankbaar misbruik van gemaakt.

Wie de atlas destijds heeft ingeleverd, heeft hem nooit meer teruggezien. Aan exemplaren is heden ten dage moeilijk te komen. Als een antiquarische boekhandel er al een heeft, moet je er al snel duizend gulden voor neertellen.

PIONIERSWERK

De Japanners hadden het bij hun bezetting van de Indische archipel heel wat gemakkelijker dan de Nederlanders in de vorige en deze eeuw. Door gebrek aan goede kaarten waren Nederlandse militairen zwaar gehandicapt in hun talrijke strafexpedities tegen inlandse vorsten en in koloniale oorlogen als de Java-oorlog (1825-1830; vijftienduizend doden aan 'Nederlandse' kant) en de Atjeh-oorlog (1873-1904). Het is dan ook niet vreemd dat militairen, net als elders in de wereld, aandrongen op kartering van het gebied. Pas veel later speelden economische en bestuurlijke belangen (heffing van landrente; aanleg openbare werken) een rol.

Voor het in kaart brengen van de 'met ondoordringbare wouden bedekte archipel met zijn verzengend klimaat', die achtenvijftig keer zo groot is als Nederland, moest een gigantische hoeveelheid kartografisch pionierswerk worden verricht. Want over luchtfoto's en satellietopnamen beschikte men niet. Prof. Ormeling stelde vorig jaar de karteringsgeschiedenis van het huidige Indonesie op schrift (in het februarinummer van het Kartografisch Tijdschrift) ter gelegenheid van het honderdvijfentwintigjarig bestaan van de Topografische Dienst (de Indonesiers wilden dit jubileum niet vieren; hun topografische dienst bestaat pas vijfenveertig jaar). Op basis van jaarverslagen van de Topografische Dienst concludeert hij dat 'op afmattende marsen door sawahterreinen, van kampong tot kampong, door heuvel- en schaarsbewoonde bergterreinen, langs vulkaanhellingen en door moerasvlakten, langs rivierbeddingen, nu eens ploeterend in stortregens dan weer zwoegend in de tropische zon, geplaagd door muskieten, bloedzuigers, bijeenzwermen of mieren, geteisterd door malaria, met niet meer medische hulp dan een verbandtrommel met jodium en kinine, overnachtend in primitieve bivaks, opgeschrikt door tijgers, olifanten of verwilderde karbouwen, soms onvriendelijk ontvangen door de bevolking waardoor militaire dekking nodig was, in hun waarnemingen gestoord door een langdurig bewolkte hemel of door aanhoudende rooksluiers als gevolg van bos- en ladangbranden, geconfronteerd met een schier onafgebroken reeks van tegenslagen en hindernissen een handjevol Nederlanders, drie generaties lang, geassisteerd door Indonesische opnemers, verkenners en plaatselijk geworven dragers hun krachten gegeven hebben om een werk tot stand te brengen dat reeds door zijn omvang respect afdwingt'.

Goede kartering is onmogelijk zonder de opbouw van een driehoeksnet (de zogenaamde triangulatie), dat het hele land moet bedekken. Anders kan men de ligging van plaatsen niet exact aangeven. Voor de opbouw van zo'n driehoeksnet moet men zeer nauwkeurige metingen verrichten van de afstanden van de basislijn en de hoeken. Daarvoor moesten stenen merktekens (pilaren) worden opgericht. Soms moest men daarvoor 'behalve proviand en zware instrumenten cement en pilaarbekisting vervoeren naar toppen van 2000 tot 3000 meter, die slechts bereikbaar waren na dagenlange marsen door opengekapte traces door het regenwoud'. Omdat de lonen nog lager waren dan op de plantages, waren dragers moeilijk te krijgen. Het werk werd bovendien bemoeilijkt doordat de bevolking haar ongenoegen afreageerde op de pilaren (pilaarschennis).

Omdat in de uitgestrekte, zwaar beboste laagvlakten van Sumatra hooggelegen punten ontbraken, moest men daar werken met chronometers. De geografische lengte van een plaats werd bepaald door vaststelling van het tijdsverschil tussen twee lokaties. Chronometers werden van de ene naar de andere plaats vervoerd en daar werd de tijd met de plaatselijke tijd vergeleken. De regelmaat van de chronometers mocht echter niet worden verstoord. Daarom moesten ze over water worden vervoerd in prauwen, waarbij de chrono-meters midden in de boot in kisten werden vastgezet. Om schokken te vermijden, werd er niet geroeid maar gepagaaid. En als men bij ondiepten of stroomversnellingen over land verder moest, moesten de dragers zich schuifelend voortbewegen.

VEEL LOF

Zonder al dit pionierswerk was de Atlas van Tropisch Nederland er nooit gekomen. Maar ook ondanks dit voorwerk kende de atlas een zware bevalling. In 1909 ontstonden bij het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) de eerste plannen voor een Wetenschappelijke Atlas van de Kolonien in Oost- en West-Indie, maar door financiele problemen en telkens weer overlijdende secretarissen van de atlascommissie, duurde het tot 1938 voordat de atlas eindelijk verscheen. In dat jaar werd hij gepresenteerd op het congres van de Internationale Geografische Unie (IGU) in Amsterdam. Daar oogstte het KNAG veel lof met deze atlas, waarvoor in binnen- en buitenland nog steeds grote belangstelling bestaat.

De facsimile-editie uit 1990, gebonden in groen, goudbedrukt linnen, ziet er zeker zo fraai uit als het in goede staat verkerende origineel waarmee ik hem heb vergeleken. De atlas bevat 31 gekleurde kaartbladen, die telkens twee grote atlaspagina's beslaan. Daarop staan ruim 180 topografische en thematische kaarten van de voormalige Nederlandse kolonien. Dat de belangstelling voor de Nederlandse Antillen en Suriname in die tijd gering was, blijkt uit deze Atlas van Tropisch Nederland, die aan 'de West' maar twee kaartbladen wijdt. De achterkanten van alle kaarten zijn bedrukt met toelichtingen in vier talen. Los bijgevoegd is een register met niet minder dan vijftienduizend namen.

De mooiste kaart qua kleurstelling en reliefweergave is de topografische overzichtskaart van Midden-Sumatra. De tegenstelling tussen eindeloze moerasvlaktes aan de oostkust, waar de triangulatiebrigades doorheen pagaaiden met hun chronome-ters, en de Boekit Barisan-bergketen met zijn vulkanen en bergmeren aan de westkust wordt door de kaart heel beeldend weergegeven. De andere topografische overzichtskaarten, die helaas niet allemaal van dezelfde schaal zijn, zijn veel fletser (ook in de oorspronkelijke uitgave), hoewel op de kaart van Java, die zich over zes atlaspagina's uitstrekt, de talrijke vulkanen fraai uit het landschap oprijzen. Iedereen die vroeger in Nederlandsch-Indie heeft gewoond, zal dwalend over de topo-grafische kaarten met hun duizenden namen heel wat herinneringen kunnen ophalen. Zoals een vriend van me, die zijn jonge jaren heeft doorgebracht op een plantage bij Medan op Sumatra en in vakanties naar het idyllische Toba-meer in de bergen trok. Ook voor Indonesieliefhebbers zonder historische banden met dit land biedt deze atlas veel informatie. Hoewel Nederlandse namen als Batavia, Weltevreden en Buitenzorg vervangen zijn door Indonesische, zijn de plaatsnamen voor negenennegentig procent hetzelfde gebleven. Ofschoon natuurlijk verouderd wat betreft omvang van steden en het wegennet, verslaat deze atlas wat topografische informatie betreft, andere atlassen met straatlengten.

Aardige informatie die men in schoolatlassen als de Bosatlas of wereldatlassen als de Times Atlas of the World niet aantreft, bevatten de talrijke thematische kaarten. Zoals die over wat eufemistisch 'de ontwikkeling van het Nederlandsch gezag' genoemd wordt, en de rijken en vorstendommen die daarvoor bestonden; de zeer gedetailleerde kaartjes over vulkaantypen, kusten en koraalriffen, landschapstypen, cultuurlandschappen, irrigatie en boscultures op Java, tabaks- en rubberplantages op Noord-Sumatra en suikerondernemingen op Java; de stadsplattegronden van geexplodeerde steden als Medan, Palembang en Batavia; de kaarten met bootdiensten tussen de eilanden en de scheepslijndiensten op Nederlandsch-Indie; de planten- en zoogeografische kaarten met de verspreidingsgebieden van de nu bedreigde regenwouden en mangrovebossen, en van eveneens bedreigde diersoorten als de Sumatraanse en Javaanse rhinoceros, olifanten, tijgers en tapirs.