Langs de drie wegen van Oudeschip; In deze uithoek is het leven goed

In het uiterste noorden van Nederland ligt het Hoge Land en op het hoogste punt daarvan Oudeschip, het dorp dat er niet meer had moeten zijn. Een portret van een gemeenschap die ternauwernood ontkwam aan een 'ontvolkingsproces': 'Het werd hier een vieze, afgeleefde troep, mensen van buiten schrokken als ze het zagen.'

Het reisdoel zou aanvankelijk het Groningse Noordpolderzijl zijn, volgens de kaart van Nederland het noordelijkste dorp op het vasteland. Maar vormen die paar huizen bij het haventje aan het Uithuizerwad wel een echt dorp? Kenners van de streek vinden van niet: op een mooie zomerdag zie je er wat zeilers en soms een wadloper, zeggen ze, maar in de winter houdt niemand zich hier op.

Over tirannieke boeren, geheimzinnige branden en verdachte vreemdelingen aan de rand van de kwelder.

Een betere keus lijkt Valom, te vinden boven Uithuizen aan het eind van een weg die de landerijen kaarsrecht doorsnijdt. Inspectie ter plaatse wijst uit dat hier op zijn best sprake is van een buurtschap: aan weerszijden van de smalle weg liggen twee boerderijen met bergen bieten voor de deur, even verderop vindt men een bedrijfje voor landbouwmachines en daar tussenin staan vier, vijf verstilde huisjes. In een daarvan neemt een spaarbrander het op tegen de avondschemer, maar van de bewoners ontbreekt elk spoor. Het enige levensteken is afkomstig van een stel meeuwen, dat krijsend rondcirkelt terwijl het laatste licht van de zon over de akkers valt.

Op advies van een gemeente-ambtenaar zet ik de volgende ochtend koers naar Oudeschip, dat op dezelfde hoogte ligt als Valom maar meer zielen telt. Als alles goed was gegaan, begrijp ik, had het dorp niet meer bestaan. Tien jaar geleden kregen de inwoners van hogerhand te horen dat het einde in zicht was. Binnen afzienbare tijd zouden zij moeten wijken voor een uitbreiding van de Eemshaven: een van expansiedrift getuigend plan, waarover inmiddels niet meer wordt gerept.

Een rit in de richting Oudeschip langs het ook nu al immense complex maakt duidelijk waarom. De haven, in 1974 in gebruik genomen als bron van welvaart voor het noorden, ligt er onder de donkere decemberwolken verlaten bij. De lange kades zijn uitgestorven, een in de verte afgemeerd schip blijkt onttakeld, rondom een reusachtige container-terminal voor de opslag van tropisch fruit hangt een dromerige rust. Zichtbare activiteit heerst alleen op een steiger, waar Nederlanders en Duitsers zich inschepen voor 'mini-cruises' die belastingvrij winkelen mogelijk maken. Deelname kost tien gulden 'waarbij inbegrepen een fles jenever', meldt een opschrift; kopers van een slof sigaretten krijgen bovendien 'gratis een klein geschenk'.

De juffrouw die Brotchen mit Bratfisch verkoopt, weet niet precies waar Oudeschip ligt. 'Ergens die kant op', vermoedt ze, naar een vlakte wijzend. Meer duidelijkheid krijg ik in het gehucht Oosteinde, waar sinds enkele maanden het eerste en enige ANWB-bord staat dat de weg wijst naar Oudeschip. Vandaar is het nog een paar minuten rijden naar de plaats van bestemming.

Onder de donkere hemel voegt het dorp zich onopvallend in het strenge, rechtlijnige landschap. Een paar rijen simpele huizen, afgewisseld door hier en daar een bouwval, scharen zich aaneen langs de drie wegen die hier aan de rand van de kwelder bijeen komen: de Derk Luddesweg, de Dijkweg en de Molenweg, die doodloopt in het bouwland. Daaromheen bevinden zich, als voorposten in het veld, een aantal boederijen omringd door schuren, bomen en bietenbergen. Een kerk heeft Oudeschip nooit gehad, maar wel waren er nog niet zo lang geleden verschillende winkels. Daarvan is er nu nog een over: de Handelsonderneming Metro van Luit Kap (70), die in het algemeen belang zijn assortiment zo breed mogelijk maakt. Zijn aanbod varieert van koeken, spek, speelgoed en fietszadels tot porselein, vogelkooien, gereedschap en romans, maar nog is het niet genoeg. 'De meeste mensen gaan toch liever naar de supermarkt, zes kilometer hier vandaan', aldus Kap, staande voor een kast vol versterkende middelen, pijnstillers en andere drogisterij-artikelen. 'Alleen als ze zijn vergeten een pak koffie te kopen of 's avonds opeens wat nodig hebben, komen ze naar mij toe. Net als de andere winkeliers had ik indertijd beter ergens anders een nieuwe zaak kunnen beginnen, maar ja - ik ben blijven hangen. Nu zing ik hier mijn tijd wel uit, maar leuker is het er niet op geworden. Om me heen heb ik het dorp dood zien gaan, dat was geen mooi gezicht.'

GROENSTROOK

De problemen voor Oudeschip ontstonden toen de burgemeester van het naburige Hefshuizen het dorp in 1979 de wacht aanzegde. In zorgvuldig gekozen bewoordingen liet hij weten dat men op een 'ontvolkingsproces' zou aansturen, zodat Oudeschip omstreeks 1985 kon worden afgebroken om plaats te maken voor een 'groenstrook'. Zo'n bufferzone werd noodzakelijk geacht met het oog op de uitstoot van de industrie die, zo was de verwachting, rond de Eemshaven tot bloei zou komen.

'De dorpsbewoners waren kwaad, maar zij stonden machteloos', zegt Hennie Kloppenburg van de Vereniging Dorpsbelangen. 'De mensen konden protesteren wat ze wilden, er werd niet naar hen geluisterd. Zo verloren ze alle vertrouwen in de overheid.'

Het werd er niet beter op toen zij merkten dat de gemeente, in afwachting van de slopers, niets meer deed aan onderhoud. In de wegen ontstonden volgens krantenberichten kuilen met waterpoelen, de putten raakten verstopt, afvoergoten verzakten en de straatverlichting begaf het. In navolging hiervan lieten ook de inwoners het erbij zitten. Hennie Kloppenburg: 'De meesten verslonsden hun bezit. Het werd hier een vieze, afgeleefde troep, mensen van buiten schrokken als ze het zagen.' Voor het eerst sinds hij in 1923 in Oudeschip kwam wonen, schaamde Luit Kap zich voor zijn dorp: 'De huizen zagen er verschrikkelijk uit, de verpaupering greep om zich heen.'

Tijdens deze donkere jaren nam een flink aantal Schipsters, zoals de bevolking zich noemt, de wijk naar buurgemeenten. Velen van hen wonen nu in Uithuizermeeden, waar zij volgens ooggetuigen zitten te kniezen in saaie nieuwbouwwijken. De vrijgekomen panden werden tegen afbraakprijzen verkocht aan Duitsers en 'westerlingen', die er van uitgingen dat het met die Eemshaven zo'n vaart niet zou lopen. Weer anderen, zo willen de verhalen, vestigden zich hier voor het gewin: ze hoopten op een redelijke genoegdoening indien het tot onteigening zou komen.

De dorpsbewoners die waren gebleven, bekeken de vreemdelingen met argwaan. Het kan natuurlijk toeval zijn, wordt verschillende malen geopperd, maar een feit is dat na de komst van de 'importmensen' onverkwikkelijke dingen gebeurden. Het gevoel van verontrusting nam nog toe door de sluiting van de school: nadat in 1984 het aantal leerlingen was gedaald tot acht, werd voortzetting van de lessen niet meer lonend geacht. Een ernstige klap was bovendien, nog maar enkele weken geleden, de dood van de 86-jarige Jan Jonker, de ereburger van het dorp en de befaamdste klompenmaker van het noorden. Zijn werkplaats met leunstoel, boomstammen en potkachel trok zelfs bezoekers uit andere streken, maar is nu onttakeld: nog voor de overledene in de aarde lag, vertellen omwonenden, gooiden familieleden zijn spullen al in het vuur. Daarmee verloor het dorp zijn enige bezienswaardigheid, een veilige plek waar het verleden voelbaar bleef. 'Zoiets komt nooit weerom', stelt schipper Piet van der Eide vast.

Maar de Vereniging Dorpsbelangen houdt ondanks alles de moed er in. De leden putten hoop uit de malaise in de Eemshaven, die volgens de nieuwste inzichten verwijdering van Oudeschip onnodig maakt. De gemeente heeft zelfs plannen de verwaarlozing aan te pakken zodat er, om het Nieuwsblad van het Noorden te citeren, weer sprake zal kunnen zijn van een volwaardig dorp. 'Er heerst nog wantrouwen, maar de mensen krijgen het gevoel dat het gevaar is geweken', zegt Anke Emmelot, bestuurslid van de vereniging. 'Ze knappen hun huizen weer op en doen mee aan wedstrijden voor de best opgekalefaterde tuin.' Een goed teken vindt ze ook de toeloop naar het Dorpshuis dat, net als de schuttersvereniging, onderdak kreeg in de leegstaande school van meester Bolland. De lijst activiteiten vermeldt knutsel- en koffieochtenden, Neijoarsveziedes en (op Tweede Paasdag) neut'n schait'n, maar ook cursussen jazzgymnastiek en lichaamsbewustwording. 'Zo wordt de saamhorigheid versterkt', meent Anke Emmelot.

BETWETERS

Toch is niet iedereen positief gestemd. In haar propere woning aan de Molenweg schudt Annegien van der Ploeg (91), de oudste inwoner van Oudeschip, misprijzend het hoofd. 'Vroeger was dit een mooi dorp, maar nu is het een zooitje', zegt ze meer dan eens. 'Er is veel mis gegaan, laatst nog zakte bij stil weer een huisje in elkaar. Nee, veel is het hier niet meer.' Uit haar woorden blijkt dat ze, net als zovelen, niet veel op heeft met 'de import', door klompenmaker Jonker onlangs nog in een interview aangeduid als betweters die denken dat noorderlingen achterlijk zijn. Het probleem is, legt Hennie Kloppenburg uit, dat mensen uit het westen een rappe tong hebben: 'Daardoor, maar ook door hun taal en opvoeding, zorgen zij ongewild voor communicatiestoornissen.' Daar komt bij dat deze groep er een andere levensstijl op na houdt. Van de vaste etenstijden (precies 12 uur en tussen half 6 en 6) trekken zij zich bij voorbeeld niets aan, wist Jonker: 'Die westerlingen eten soms de hele dag niet. Maar ja, dat moeten zij weten.'

Vervelender wordt het als zij overlast veroorzaken. 'Als anderen 's avonds rustig zitten, gaan ze aan hun auto's sleutelen en lawaai maken', meldt Edwin Edens, die in Groningen de HTS bezoekt. 'En dat zijn dan mensen die overdag niet werken en geen huur betalen. Soms hebben ze onder elkaar zo'n ruzie, dat we het hier aan de overkant van de weg kunnen horen.'

Bezwaren waren er vooral tegen de vreemdeling die het plaatselijke cafe opkocht om daar onder de naam De Lichtboei een seksclub te beginnen. Per auto werden zeelui opgehaald om in Oudeschip te komen passagieren, maar buiten het etablissement viel van liederlijk gedrag niets te merken. De eigenaar deed zelfs zijn best bij de bevolking een goede indruk te maken. 'Als we met lijsten rond gingen om geld in te zamelen, tekende hij altijd in voor een goed bedrag', aldus ex-onderwijzer Bolland. 'In de zomer bracht hij kinderen uit het dorp naar het zwembad en met Pasen en Sinterklaas nodigde hij ze in zijn zaak uit voor een feestje.' Edwin Edens was een van degenen die op de invitatie ingingen. 'We kregen lekkere dingen', weet hij nog. 'Er was paars licht en op de vloer lag dik tapijt. Het zag er mooi uit.'

In zijn huis aan de overzijde stond de exploitant van De Lichtboei erbij te kijken toen zijn zaak op een nacht afbrandde. In enkele jaren tijd gingen nog tien andere panden in vlammen op, waarbij de vonken soms zo ver in het rond vlogen dat omwonenden in angst hun huizen verlieten. De oorzaak van de branden is nooit opgehelderd, maar achteraf kan menigeen zich verdachte details herinneren: de ene keer begon de brand bij de kozijnen ('en bij kortsluiting gebeurt dat niet'), een andere keer had iemand vlak voor alarm werd geslagen stemmen gehoord en in alle gevallen eiste het vuur zijn tol op mistige nachten. De overtuiging is wijd verbreid dat de branden werden aangestoken in de hoop verzekeringsgeld te kunnen innen, maar een onderzoek daarnaar is nooit ingesteld. 'De instanties', veronderstelt men, waren allang blij dat er een paar huizen waren verdwenen in een dorp dat al was afgeschreven.

Niet bekend

Drieling

Maar op verzoek wil men dat graag vertellen. Uit de verhalen doemt een beeld op van een bloeiend dorp met veel bedrijvigheid, die vooral was geconcentreerd op de Molenweg (indertijd beter bekend als het burgerwegje). Er waren vijf kruideniers, twee bakkers, twee cafes, twee schilders, een manufacturenzaak, een kleermaker, een schoenmaker, een fietsenmaker en, als bekend, een klompenmaker. Verder was er een smid, waar Van der Eide als jongen toekeek hoe de roodgebrande ijzers onder de hoeven van de paarden werden geslagen. Een groenteboer en een slager ontbraken, maar dat was logisch: ieder verbouwde zijn eigen groente (bloemen in de tuin vindt men ook nu nog zonde) en ergens in een hok stond altijd wel een varken; sommigen hadden bovendien wat kippen, geiten en soms twee of drie koeien.

Tussen de dorpelingen was een sterke band, zegt Kap, die vermoedt dat dit iets te maken heeft met het grote aantal kinderrijke gezinnen dat het dorp telde. Zelf haalde hij de landelijke kranten met tweemaal een drieling in anderhalf jaar tijd, maar de kroon spande de familie Baar met vijftien kinderen. Toen de gezinsleden samen duizend jaar waren, kwamen ze bij Willem Duys op de televisie: een feestelijke gebeurtenis waarbij een ruime afvaardiging uit Oudeschip zich niet onbetuigd liet. Ook in hun eigen omgeving hechtten de bewoners veel waarde aan gezelligheid en vertier, zo is de teneur van de verhalen. De mensen stonden 's avonds, omdat ze dat nu eenmaal prettig vonden, urenlang op straat met elkaar te praten, vertelt boer Sipkema. En Hennie Kloppenburg weet dat de feesten en de bazars van Oudeschip een trekpleister vormden: 'Wie wat had te vieren, trok hier naar toe. Er viel altijd wel wat te beleven.' Een duidelijk signaal in dit opzicht was het grote vreugdevuur, dat bij de inhuldiging van koningin Juliana werd ontstoken om aan te geven dat hier (de Waddeneilanden buiten beschouwing gelaten) het noordelijkste punt van Nederland ligt.

Ook in een verder verleden kreeg Oudeschip al snel een zekere faam vanwege zijn evenementen. Het dorp dankt zijn naam aan een schip dat omstreeks 1760 in de Eemsmond aan de grond liep. Daarbij bleef van de lading aardewerk weinig intact, een feit dat tot uiting komt in de naam Diggelschip aan de gevel van het huidige Dorpshuis. Het gestrande schip bood onderdak aan enkele Groningers, die na verloop van tijd daar in de buurt een huis optrokken dat zij het Oude Schip noemden. In de omgeving van dit pand ontstond volgens geschriften een zogenaamde Diggelmarkt die op zomerse zondagen leidde tot 'velerlije buytensporigheden' bij een 'jeneverkroeg'. Daartoe aangespoord door de kerkeraad, maakte de rechter aan deze 'bandeloose wulpsheden' een einde.

Nadat de rust was weergekeerd, groeide rond het eenzame huis geleidelijk aan een dorpje, waar vooral door toedoen van boer Harkema in 1843 een openbare school werd gesticht. Ook op andere manieren gaven de boeren tot enkele decennia geleden de toon aan: praktisch alle overige bewoners van Oudeschip waren bij hen in dienst en woonden in huisjes van hun bazen. Buiten het werk om hadden de twee bevolkingsgroepen weinig met elkaar van doen, een situatie waarin sindsdien niet veel is veranderd. 'De boeren zijn altijd een apart slag volk geweest', stelt Van der Eide. 'Boerenkinderen spelen niet met gewone kinderen en ook hun ouders houden zich afzijdig van dorpsmensen. Als zij dat niet doen, liggen ze er in hun kring uit.'

KARIG

Van der Eide maakt onderscheid tussen goede en slechte boeren, van wie de laatsten vroeger de overhand hadden. Hij vertelt over boerinnen die als prinsessen in de salon zaten terwijl hun mannen, tirannen in kuitbroeken die met een stokje tegen hun laarzen tikten, erop letten of het personeel wel hard genoeg werkte. De beloning die zij daarvoor gaven was karig. Mevrouw Van der Ploeg herinnert zich dat zij als kamermeid eenmaal per jaar 287 gulden kreeg. Daarvoor moest zij het huis schoonhouden, de was doen, de koeien melken en, voorzien van een zwaar juk op haar schouders, emmers melk naar de boerderij brengen.

Voor een niet veel hoger bedrag was de vader van Piet van der Eide per etmaal zestien uur in touw. 'Om vier uur 's morgens ging hij lopend naar zijn werk en om acht uur in de avond was hij thuis. Een uur later lag hij op bed, anders kon hij er de volgende ochtend niet op tijd uit om in de tochten de slootkanten te maaien. Ziek zijn kon niet: iemand die er om die reden niet was, kwam niet meer aan het werk en raakte soms zijn huis kwijt. Je moest je plicht doen, ook al was je nog zo beroerd. Op de winterdag, als de boer geen werk had, ging het niet anders. Om van de gemeente vijf gulden steun per week te kunnen krijgen, moest mijn vader elke dag puin kloppen; met de stenen daarvan konden dan later de wegen worden verhard. Zo ging het altijd door - het leven bestond uit werken, slapen en kinderen maken, iets anders was er niet. Veel landbouwers hadden dan ook gezinnen met tien tot zeventien kinderen, maar de boeren wisten natuurlijk wel beter: die waren uitgeslapen genoeg om er na twee stuks mee te stoppen.'

De wantoestanden van weleer doen zich in Oudeschip nog steeds gelden. 'De mensen zijn niet vergeten hoe het hier was, het zeer blijft', zegt Hennie Kloppenburg. Maar de verhoudingen zijn inmiddels grondig gewijzigd. 'Sommige boeren redden het wel', meent Van der Eide, 'maar andere zijn staatarm. Eerst kregen ze te horen dat de veestapel moest worden uitgebreid, maar toen ze dat hadden gedaan zaten ze met het stront. Ze kunnen nu geen kant meer uit.' Mevrouw Van der Ploeg komt tot dezelfde slotsom. 'Eerst hadden de boeren alles te zeggen, maar die tijd is voorbij. Nu moeten ze naar ons luisteren.'

Kees Sipkema, wiens uit 1916 stammende boerenbedrijf aan de dorpsrand ligt, geeft toe dat het sociale gevoel in zijn kring te wensen overliet. 'De tegenstelling tussen arbeiders en ondernemers was groot. Zeker in het Oldambt waren er gevallen van uitbuiting, maar hier ging het toch wat gemoedelijker toe. Bij ons op de boerderij is al in 1969, toen mijn vader nog de leiding had, de laatste arbeider verdwenen. Geholpen door de kinderen, doen mijn vrouw en ik nu alles zelf - zeven dagen per week, 52 weken per jaar. We proberen van alles om een inkomen te houden, maar makkelijk is dat niet. Een op de drie bedrijven werkt hier met aanzienlijk verlies. Toch beseffen maar weinigen dat het zo niet langer kan, dat ook wij willen delen in de welvaart.'

De sociale ommekeer bleek voor de tegenpartij minder gunstig dan was voorzien. De werkgelegenheid in de landbouw nam zozeer af, dat velen wegtrokken om in minder geliefde streken emplooi te zoeken. Hun voorbeeld werd later gevolgd door nogal wat achterblijvers die, naar men zegt, 'in paniek' wegvluchtten voor het naderende onheil van de Eemshaven. Het zou niet best zijn als nu ook nog de boeren verdwijnen, meent Luit Kap. Anders dan menigeen heeft hij 'alle respect' voor hen: 'Zij bebouwen het land, houden de sloten schoon en zorgen voor afwatering; als ze daar straks mee ophouden, wordt het hier een wildernis.'

PATATFABRIEK

Zelf wil Kap het zo lang mogelijk vol zien te houden. 'Met mijn winkel had ik willen meegroeien met de haven, net als professor Nanninga uit Uithuizen was ik heel optimistisch', zegt hij, zijn voorraden ordenend. 'Toen het fout ging, kon ik vanwege onze drielingen niet meer iets nieuws gaan beginnen. Ja, het kan soms gek lopen, maar gelukkig heb ik me er niet zo druk om gemaakt. Ik ben een taaie.'

Hoop voor de toekomst van Oudeschip put hij uit enkele positieve ontwikkelingen in de omtrek, zoals de vestiging van een patatfabriek met tachtig arbeidsplaatsen en de bouw van zowel een centrale als een windmolenpark. Maar of het werk in de regio nu zo aantrekkelijk is, staat voor zijn negentienjarige dorpsgenoot Edwin Edens niet vast: de ervaringen die hij opdeed met het schoonkrabben van schepen, het verven van kranen en het lossen van ingevroren Australische schapen waren niet bemoedigend. 'Misschien moet ik later werk zoeken in een ander deel van het land, maar als het aan mij ligt ga ik niet weg: in deze uithoek is het leven goed, hier in het Hoge Land heb je de vrijheid.'

De Vereniging Dorpsbelangen draagt dezelfde gedachte uit. Hennie Kloppenburg en Anke Emmelot gaan me vol trots voor door het Dorpshuis. In de gang hangen nog de platen die meester Bolland gebruikte bij de geschiedenisles: De tocht naar Chatham en, een eindje verder, De Prins van Oranje aan het hoofd van de nationale militie bij Quatre Bras. Voor de rest vraagt het Oudeschip van nu de aandacht. In vitrines staan bekers die zijn gewonnen met sjoelen en touwtrekken, een kleurenfoto geeft een indruk van een gekostumeerde voetbalwedstrijd en aan de bar zitten twee meisjes die deze avond gaan oefenen voor de playbackshow van zaterdag. 'Het wordt weer fantastisch', voorziet Hennie Kloppenburg, 'nergens kunnen ze zo feesten als hier.'

In de dichte mist op de Molenweg hoor ik even later het discoritme langzaam vervagen. Bij Luit Kap tikt een voorbijganger op de winkelruit: nog een late klant.

    • Paul Hellmann